Verslag D4net-bijeenkomst over postpolitiek met Merijn Oudenampsen,
3 juni 2010
D4net heeft Merijn Oudenampsen gevraagd om naar aanleiding van de verkiezingen over de politieke situatie in Nederland te spreken. Hij wil het niet hebben over de politieke partijen, maar over het Nederlandse politieke systeem als zodanig.
Volgens Merijn zie je dat er een enorme horizonvervuiling optreedt in de Nederlandse politiek. Er is op dit moment sprake van meerdere crises. Er is een klimaatcrisis; we hebben, zeker zodra de economie weer aantrekt, een brandstofcrisis, er zijn een financiële crisis en een grondstoffencrisis. Op vele gebieden bevindt de wereld zich op dit moment in een overgangsfase. Je zou denken dat men dan beseft dat we eens goed moeten gaan nadenken over ons economisch systeem. Maar de Nederlandse verkiezingen gaan slechts over minieme details. Niemand heeft het meer over de klimaatproblematiek of over de financiële crisis. Er is geen horizon meer. Er is niemand die zegt: “Wij willen dat Nederland in de toekomst er zo en zo uit ziet.” Sommige politicologen noemen dit type politiek ‘postpolitiek’.
Niet altijd was politiek zo suf. Ooit was er het idee van de verbeelding aan de macht. Nu worden de bezuinigingen zonder politiek debat bepaald door zogenaamd objectieve ambtelijke commissies. Niemand denkt meer buiten de bestaande kaders. Er is een gebrek aan ideologie in de politiek.
De linkse ideologie is al sinds de val van de muur doodverklaard, maar tot voor kort leverde de neoliberale ideologie nog het politieke kader: bezuinigingen, deregulering, privatisering. Dat is wat we nu ook nog steeds zien. Het neoliberalisme heeft echter sinds de economische crisis zijn glans verloren en het wordt door velen als fout bestempeld. Ook de Derde weg, de omarming van het neoliberalisme door de sociaaldemocratie, werd onlangs door PvdA’ers als Wouter Bos en Cohen als fout weggezet. Vervolgens is er niets om dat over te nemen. We bevinden ons op dit moment in een leegte. Er is geen idee waar we naar toe gaan. Ooit noemde Francis Fukuyama de overwinning van het neoliberalisme het einde van de geschiedenis: de parlementaire democratie samen met het kapitalistische systeem was de toekomst. Nu beleven we het einde van het einde van de geschiedenis. Er is geen sprake van een uitzicht op de toekomst. Bij alles wordt er terugverwezen naar het verleden. De PvdA verwijst terug naar Den Uyl, de CDA wil terug naar de spruitjescultuur van de jaren ’50, Wilders wil weer terug naar het Land van Ooit toen er nog geen allochtonen waren, de SP wil terug naar de jaren ’70 toen er nog een behoorlijke verzorgingsstaat was. Er is een hele obsessie naar het verleden in onze cultuur opgetreden.
Een bekende veronderstelling is dat grote crises ruimte maken voor nieuwe ideeën. Opmerkelijk genoeg gebeurt dit nu juist niet. Op verschillende vlakken bevinden we ons in een crisis en vinden transities plaats, maar als je de krant leest lijkt dat helemaal niet aan de orde te zijn. Het lijkt erop dat het complexe raderwerk dat we in onze maatschappij hebben prima in staat is om gewoon door te draaien zonder dat we een idee hebben waar we eigenlijk naartoe gaan. Dit is toch wel nieuw. En dit noemen sommige auteurs de toestand van postpolitiek: geen ideologie, geen utopische horizon, slechts conflicten tussen aanhangers van zachte en harde bezuinigingstechnieken, van zachte en harde vormen van integratiebeleid, van meer of minder repressie tegen Marokkaanse straatjongeren en dat soort dingen. Wat ons rest is nu een politiek van rampbestrijding, schadebeperking en crisismanagement.
Filosofen als Chantal Mouffe, Slavoj Žižek en Jaques Rancière beschrijven hoe in het postpolitieke tijdperk conflicterende ideologieën plaats hebben gemaakt voor overlegstructuren tussen technocraten. De politiek bedrijft geen politiek meer maar management. Dat zie je ook in de huidige verkiezingen: iemand als Cohen is geen politicus, maar een bestuurder en het debat gaat puur over de cijfers achter de komma. Niemand heeft het over systemen.
Rancière gaat voor de origine van het begrip politiek terug naar de Griekse polis. Volgens hem ontstaat politiek op het moment dat de ‘demos’, het volk, zich begint te roeren: een tot dan toe uitgesloten groep eist een plaats op in de politieke macht. Terwijl zij zich op deze manier manifesteert presenteert de groep haar belangen als die van de hele maatschappij en als een publiek belang. Zij die politiek gezien niets betekenden komen op voor het publieke belang en doen gevestigde belangen af als privébelangen. Volgens Rancière gaat werkelijke politieke strijd om het vaststellen van de kaders van wat politiek mogelijk is. In de politiek wordt bepaald wie gerepresenteerd wordt en wie niet, wat bespreekbaar is en wat niet. Zo zijn in de Nederlandse verkiezingen hogere collectieve uitgaven onbespreekbaar, terwijl bespreking daarvan in Scandinavische landen heel normaal is. Elke keer als de SP daarover begint wordt dat door andere politici en journalisten als totaal onrealistisch weggezet.
Volgens de Sloveense filosoof Žižek verandert èchte politiek de kaders. Ware politiek is de kunst van het onmogelijke. Het kenmerk van de postpolitieke politiek is dat het deze conceptie van politiek eigenlijk afschaft. Het negeert de eisen die verder gaan dan een uitruil van belangen binnen bestaande kaders. De kaders zelf worden niet meer ter discussie gesteld.
In de jaren ’70 werd dat nog wel gedaan. Merijn wijst hiervoor op de bundel Inzicht en Uitzicht van Joop den Uyl, fascinerend leesmateriaal voor een jongere generatie. Eind jaren ’70 pleitte Den Uyl nog voor totale nationalisatie van de grond. Hij stelde eisen buiten het reële om. In de jaren ’70 was er nog sprake van polarisatie en utopische eisen. Maar na de val van de Berlijnse muur en de bekering van de sociaaldemocratie tot het neoliberalisme onder de naam ‘Derde weg’ verdween de polariteit tussen links en rechts.
Mouffe wijt de opkomst van het postpolitieke tijdperk aan enkele beperkingen in het liberale gedachtengoed. Volgens haar is de liberale conceptie van politiek gelijk aan de liberale conceptie van economie: door politiek rationeel egoïsme en onderlinge concurrentie wordt het beste goed verkregen. De liberale conceptie van politiek gaat uit van het idee dat je in de politieke arena een vrije uitwisseling van ideeën en belangen hebt. Daar zou dan een rationele consensus gebaseerd op nutsmaximalisatie uit moeten komen. Verondersteld wordt dat zowel politici en kiezers handelen vanuit rationeel doordachte belangen. Daarvoor moeten ze hun emoties, hun ethiek, hun moraal, hun religie thuis laten Volgens de liberale filosoof Rawls verwijdert een liberale politiek de meest verdelingzaaiende issues van de politieke agenda. Het gevolg is dat de meest heikele identiteitskwesties buiten de politiek worden gehouden. Dat is eigenlijk hetzelfde als wat Paul Scheffer over het integratiedebat schreef: er heerste in Nederland een cultuur van vermijding van wat moeilijk bespreekbaar is. En daar kreeg links de schuld van, terwijl het juist heel erg hoort bij de liberale opvatting van de politiek.
Het probleem van de beperkte liberale opvatting van politiek is dat zij niet kan erkennen dat politiek ook passie en emotie is, waarmee mensen zich kunnen identificeren; dat er altijd een ‘wij’ is die tegen een ‘zij’ wordt afgezet. Omdat er binnen de consensuspolitiek, die bijna overal in Westen heerst, geen ruimte is voor de links/rechts-polarisatie, krijg je dat er polarisatie op een ander gebied plaats vindt: op het punt van religie, op het punt van etniciteit. Volgens Mouffe leidt dus de afschaffing van de politiek tot de opkomst van rechts-extremisme, tot etnische polarisatie. Zij pleit voor het opnieuw invoeren van een polarisatiepolitiek op sociaaleconomische issues en voor het weer tot leven brengen van links.
In Nederland hebben we een stevige consensustraditie. Sinds het Akkoord van Wassenaar (1982; FNV gaat akkoord met loonmatiging in ruil voor arbeidstijdverkorting) is deze zo sterk ingeburgerd dat het hier als een volksaard wordt gezien; het ‘poldermodel’ wordt gelegitimeerd door de mythische verwijzing van het ontstaan daarvan in de strijd tegen het wassende water.
Žižek ziet als probleem van dit soort politiek dat het eigenlijk antidemocratisch is, omdat het zich richt op depolitisering en terugkeert naar de normale gang van zaken waarin iedereen zijn eigen plaats en belangen kent. Wat in Nederland wordt gezien als het toppunt van democratie, de uitbouw van een hele infrastructuur van belangengroepen en representatiemechanieken, kan juist als iets zeer antidemocratisch gezien worden. Als iedereen zich naar het midden begeeft, heb je heel weinig te kiezen. Dit benoemde Marcuse in de jaren ’60 als ‘repressieve tolerantie’: het inkapselen van protestbewegingen en antagonisme. In Nederland ook wel ‘doodknuffelen’ genoemd. Zodra in Nederland zich een protestbeweging voordoet wordt geprobeerd om deze een plek aan de onderhandelingstafel te geven om zo een gemeenschappelijke taal te spreken. Zo houden we alles heel rationeel en redelijk.
Als je een criticus bent die zich buiten deze cirkel bevindt, krijg je onmiddellijk de vraag of je dan een beter idee hebt. Dat alternatieve idee moet wel direct bruikbaar zijn, anders word je feitelijk uitgesloten van het politieke debat. Chantal Mouffe zegt dan ook dat het probleem van de rationele consensus is dat de onwerkbare opinies worden uitgesloten. Er wordt dus niet meer gesproken over alles wat niet direct vertaald kan worden in wat we de komende jaren kunnen gaan doen.
Dat was vroeger wel anders. Den Uyl bijvoorbeeld, nota bene jarenlang partijleider van een belangrijke regeringspartij, schreef bijvoorbeeld over het vraagstuk of veranderingen van bestaande structuren wel van binnenuit kunnen plaatsvinden. Hij vraagt zich af of de PvdA medeverantwoordelijkheid moet nemen voor het besturen van instellingen die zij fundamenteel zou willen veranderen. Den Uyl beschrijft hoe sommige sociologen het conflictmodel aanprijzen opdat zo feitelijk bestaand onrecht niet wordt toegedekt: “Laat de machtigen hun eigen zaken regelen, totdat wij de macht kunnen overnemen. Laat de vakbeweging de SER en de Raad van de Arbeid verlaten. Laat de PvdA niet deelnemen in instellingen waar ze macht van regenten of bezitters dekt.” Den Uyl nuanceerde dit dan wel weer, maar hij pleitte tegen het toedekken van belangentegenstellingen. Hoe anders is dat nu. Kijk hoe halfbakken de vakbeweging haar achterban mobiliseerde voor het protest tegen de verhoging van de AOW-leeftijd. De slechte opkomst werd vervolgens gebruikt als argument dat de verhoging niet meer tegen te houden was. Agnes Jongerius noemde een protest tegen de verhoging zelfs ondemocratisch, het parlement had immers voor verhoging van de AOW-leeftijd gekozen. Opiniepeilingen wezen uit dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking tegen de verhoging van de AOW-leeftijd is. Maar de FNV wilde deze machtspositie niet inzetten uit angst haar positie aan de onderhandelingstafel te verliezen. Dat is de paradox van het onderhandelingsmodel: waarom zou je daar nog aan meewerken als daarbinnen steeds minder voor jou te halen valt?
Een interessant alternatief daarvoor is het conflictmodel zoals dat door de schoonmakerscampagnes is toegepast. In plaats van gelijk aan de onderhandelingstafel te gaan zitten hebben ze eerst het conflict heel erg opgevoerd en pas toen de werkgevers heel erg onder druk stonden zijn ze gaan onderhandelen. En dat is heel succesvol gebleken. In een paar jaar hebben ze de organisatiegraad van de schoonmakers verhoogd van 7% naar 30%. In het begin hadden ze helemaal geen onderhandelingspositie. Dit laat zien dat een conflictmodel heel erg productief kan zijn. Zoals Žižek zegt: “Het is de kunst van het onmogelijke”. Het werd onmogelijk geacht om al die slecht Nederlandssprekende, verspreid werkende schoonmakers te organiseren.
Den Uyl maakte een onderscheid tussen tactiek en strategie. Tegenwoordig heb je alleen maar tactiek. Volgens Den Uyl moest op een populistische wijze gezorgd worden dat de burger het materieel beter kreeg, met een auto en een huis. Dat vond hij nodig voor een strategie die uiteindelijk mikt op maatschappijhervorming en verandering van machtsverhoudingen. Acties tegen en discussies over het automatisme van ons productiestelsel en de voortdurende economische groei zag hij als noodzakelijke vingeroefeningen “voor een nieuwe vorm van samenleving, waarin beroepsarbeid èn als zingeving van het bestaan, èn als regulator van maatschappelijke processen sterk zal zijn afgenomen”. Den Uyl had dus een kortere en een langere termijn visie. Eerst wilde hij door de materiële situatie van iedereen iets te verbeteren een progressieve meerderheid opbouwen, om later naar een andere maatschappijvorm over te gaan, waar werken een minder belangrijke rol zou spelen. In het postpolitieke tijdperk is zo’n soort strategie helemaal verdwenen. Er is alleen nog maar sprake van tactiek. Tactiek betekent van oorsprong het organiseren van het leger. Strategie was dan de kunst van de generaal, de langere termijnplanning. De tactiek draait om het winnen van de slag en de strategie draait om het winnen van de oorlog: wie is eigenlijk mijn vijand? Wie zijn mijn bondgenoten? Welke argumenten heb ik eigenlijk om deze oorlog te legitimeren?
Merijn eindigt zijn lezing met een appèl om zo’n onderscheid tussen strategie en tactiek weer terug te brengen in de Nederlandse politiek, opdat we het consensusmodel af en toe kunnen ondergraven met het conflictmodel.
Dan is er tijd voor discussie, vragen en opmerkingen:
* In Merijn’s visie van politiek proberen uitgesloten groepen een plaats in de politiek op te eisen met een beroep op het algemeen belang. Sommige groepen slagen daarin, andere niet. Het is een voortdurende politieke strijd. Eigenlijk staan de kaders van de politiek nooit vast. Ze zijn betwistbaar en kunnen doorbroken worden door een daadwerkelijk politiek moment. Dus eigenlijk is wat je in het parlement doet niet echt politiek?
Ja, wat je binnen het huidige politieke bestel doet is meer het onderhandelingsmechanisme. Waar de politiek werkelijk omdraait is welke kant die arena waar de onderhandelingen plaatsvinden op trekt. Rancière zou dus iemand als Wilders politiek noemen. Hij geeft stem aan een groep die claimt dat zij nooit gehoord wordt. Zij claimt dat zij het Nederlandse volk is en dat zij het algemeen belang vertegenwoordigt. Het probleem daarbij is dat Wilders in zijn eigen denken een soort überdemocraat is geworden, terwijl het ook kan zijn dat een uitgesloten groep gewoon heel racistisch is en eigenlijk vindt dat een andere groep van de politieke macht moet worden uitgesloten.
* Is er dan een verschil te maken tussen het conflictmodel zoals Wilders dat hanteert en het conflictmodel van de schoonmakers, die zeggen dat zij een groep zijn die niet gehoord wordt omdat ze slecht Nederlands spreekt en bijvoorbeeld ’s nachts moet werken. Moeten al die conflicten maar gewoon gebeuren?
Er is niet één universele strategie. Het conflictmodel werkt wanneer er politieke opinies zijn die buiten de consensus staan. Volgens Chantal Mouffe worden binnen de rationele consensus een heleboel opinies buitengesloten omdat ze te extreem, te radicaal zijn. Dat heb je zowel aan de rechter- als aan de linkerkant. Om dan iets gedaan te krijgen moet je wel het conflictmodel hanteren, dan moet je die consensus doorbreken. Zodra het hele systeem ter discussie staat, moet je wel uitgaan van het conflictmodel.
Mouffe vindt conflict goed, maar zodra je je tegenstander tot moreel kwaad gaat bestempelen kan het heel snel ontaarden in datgene waaruit het fascisme is ontstaan. Zij baseert haar ideeën op Carl Schmitt, de Duitse rechtsfilosoof die mede de onderbouwing voor de machtsovername van Hitler heeft geleverd. Volgens Carl Schmitt is elke politiek die uitgaat van een wij/zij-tegenstelling veel sterker dan een politiek die gebaseerd is op het rationele individu die in een consensuspolitiek zoekt naar oplossingen. Het demoniseren van de vijand in de wij/zij-tegenstelling is volgens Mouffe het grote gevaar. Dat deed bijvoorbeeld de Bush-doctrine met het terrorisme en daardoor werd martelen van gevangenen aanvaardbaar.
* De ‘organising campagnes’ van de schoonmakers zijn uitstekend, maar misschien worden ze te veel opgehemeld. Als je geen geld en geen middelen hebt, geen bronnen en geen macht, krijg je het niet voor elkaar. In de schoonmakerscampagne heeft de vakbond 1.6 miljoen € gestoken en er werden bussen van de ene naar de andere manifestatie gereden. De schoonmakers kregen een stakingsuitkering en er stond een batterij juristen klaar als ze individueel problemen kregen met hun werkgever. Als je dat allemaal niet hebt, wordt het een heel stuk moeilijker om het allemaal van de grond te krijgen. Werklozen en andere achtergestelde groepen zie je dan ook pas in beweging komen als een reguliere groep zich solidair met hen stelt. Tegelijkertijd zie je dat de vakbonden zodra ze aan de onderhandelingstafel succes halen stoppen met actievoeren. Gelijk na het afsluiten van het schoonmakersakkoord hebben ze de geldkraan dichtgedraaid en was er geen geld meer voor hun 1 meimanifestatie.
* In de gezondheidszorg is bewust een hele structuur van patiëntenplatforms en cliëntenraden uit de grond gestampt. Margot Trappenburg heeft onderzoek gedaan naar strategieën om bezuinigingen in de gezondheidszorg door te voeren. En het blijkt dat deze strategie van inkapseling de meest effectieve is. Er is een OECD-rapport (OECD is de organisatie van de meest ontwikkelde Westerse economieën) dat aan haar lidstaten meldt dat er talloze projecten niet zijn doorgegaan door verzet van bewonersorganisaties en sociale bewegingen. Het rapport hamert erop dat iedereen zoveel mogelijk aan participatie moet gaan doen.
* Deze voorbeelden gaan heel erg over belangenstrijd, maar het gaat ook om een strijd om ideeën. Binnen het consensusmodel onderhandel je om ideeën binnen een bepaald stelsel. Als je dan bijvoorbeeld zegt dat je vindt dat het groeimodel moet stoppen verlies je al direct je onderhandelingspositie. Alleen van buitenaf, op een confronterende manier, kan je dit uiteindelijk bespreekbaar maken. Binnen het consensusmodel kan je niet het hele systeem omgooien. Met de problemen die er nu zijn is er grote behoefte aan frisse ideeën van buiten het systeem.
* Politieke acties en demonstraties zijn helemaal ingekapseld in het systeem. Soms is men zelfs verbaasd dat de demonstranten maar niet komen opdagen. Bij het slaan van de eerste paal van een universiteitsgebouw in Amsterdam werd een protesterende bewonersgroep geheel opgenomen in het feestritueel. De locoburgemeester reageerde er perfect op.
* Een conflict zal op een creatievere manier dan met demonstraties, vakbonden of een politieke partij moeten worden ingevuld, misschien zelfs met een nieuwe ideologie. Er is iets meer nodig om het consensusmodel te doorbreken.
Als je het conflict wil aan gaan, moet je je los kunnen maken van een gestolde identiteit van het verleden. Dan moet je kunnen opkomen voor een algemeen belang en is het belangrijk dat je niet kan worden weggezet als een subcultuur. Je kunt als kraker beweren dat je een culturele ruimte tegen het kapitalisme opbouwt, maar vaak wordt dat door anderen niet werkelijk als een openbare ruimte ervaren. Als je een nieuwe politiek waarin je het conflictmodel aanhangt wilt creëren moet je ook mensen die voorheen niet bekend waren met dit gedachtengoed aantrekken. Je moet kunnen innoveren, creatief kunnen zijn en dat kan niet als je nog heel erg leeft in een oude identiteit.
* Zou je zo’n informatieavond niet beter buiten in een open gebied kunnen houden?
Veel mensen zijn helaas niet geïnteresseerd in politiek. Street Level University wil in juli en augustus proberen om op straat een reactie en een debat uit te lokken door gewoon vanachter een spreekgestoelte openbare lezingen te geven.
* Wat voor instituties heb je nodig om duurzaamheid aan je organisatie te geven?
Historisch gezien waren dat altijd de tijdschriften. Het is opmerkelijk dat beweerd wordt dat er in Nederland linkse media zijn, maar welke krant voert discussies over het linkse gedachtengoed, zoals de Trouw discussie voert over de christelijke problematiek en zoals De Telegraaf echt rechtse campagne voert? Zo’n krant bestaat er niet. Binnen de Volkskrant is misschien 40% van de medewerkers gematigd sociaaldemocratisch, maar de overgrote meerderheid van de medewerkers vindt dat de krant zich moet aanpassen aan de mening die het beste in de markt ligt. Ze hebben het liberale idee dat hun lezersgroep bestaat uit allemaal rationeel denkende individuen die ze allemaal moeten bedienen. Dus ze plaatsen zoveel mogelijk meningen en als de mening van Wilders in populariteit stijgt wordt er meer vanuit die mening geschreven.
* Rechts heeft een strategisch project opgezet om macht te verwerven. Links heeft dat niet gedaan. Vanaf eind jaren ’60 heeft rechts met een enorme lange adem de maatschappij naar rechts getrokken. Is dat niet tegengesteld aan het concept van postpolitiek? Heeft rechts niet wel degelijk een strategie voor een maatschappij waar zij naartoe willen?
Misschien dat postpolitiek vooral slaat op het midden en links. Alle linkse actiegroepen gebruiken stoffige tactieken waarop de overheid allang haar antwoord klaar heeft, daardoor kunnen actiegroepen niet meer verrassend confronteren. Je zult dus middelen moeten zoeken die confronterend en prikkelend zijn, want anders ben je maar een theaterstukje aan het opvoeren.
De avond wordt afgesloten door een telefonische oproep tot een lawaaidemonstratie voor krakers die eerder op de avond bij een ontruiming waren gearresteerd. Een ouderwets politiek ritueel.