Verslag bijeenkomst over rechtspopulisme

Verslag van de D4net-bijeenkomst over rechtspopulisme en de
verrechtsing op 4 februari 2010

Na een paar korte filmpjes van De Tegenpartij uit de jaren
’80 beschreef Merijn Oudenampsen (o.a. van www.flexmens.org)
aan de hand van filosofen als Laclau, Pels, Bovens, Althusser, Gramsci en Hall
de problematiek van de verrechtsing in Nederland en de rol van het rechtspopulisme
daarbij.

Het politieke midden in Nederland is de laatste jaren, net
zoals in andere delen van het Westen, sterk naar rechts getrokken. En dat komt
niet alleen door Wilders. Hij is slechts de meest recente en zichtbare
vertegenwoordiger van de nieuwrechtse stroming.

Merijn gebruikt als definitie voor populisme: de politiek
van het volk tegen het establishment. Maar dat is niet een ‘u vraagt, wij
draaien’. Populisten baseren zich helemaal niet op wat ‘het volk’ wil.
Allereerst is onduidelijk wie ‘het volk’ is. Populisten creëren ‘het volk’ zelf
en zij plakken daarop het beeld dat het beste past bij hun eigen politieke
belangen. Daarbij is het volk nooit gelijk aan de hele politieke gemeenschap.
Altijd worden groepen uitgesloten, om te beginnen met de elite, maar ook
groepen als buitenlanders, moslims et cetera.

Het vormgeven van het volk en de volkswil gebeurt door beeldvorming
en symboolpolitiek die sterk lijkt op het neerzetten van merken en marketing.
Niet de vraag bepaalt het aanbod, maar het aanbod de vraag. Heel strategisch
heeft nieuwrechts steeds maar weer aan een nieuwe beeldvorming gewerkt met telkens
dezelfde thema’s als integratie/islam, vrijheid van meningsuiting, veiligheid,
het spookbeeld van de linkse elite, klimaatverandering als samenzwering van de
milieubeweging. En ze werd daarbij geholpen door grote delen van de media en neoconservatieve
intellectuelen.

Links stelde daar geen enkele actieve en vormende kracht tegenover. Links houdt vast aan het beeld van de individuele rationele kiezer. Maar de politieke identiteiten en politieke
voorkeuren van mensen staan niet vast, deze worden gevormd in een continue
communicatieproces. Dan gaat het erom wie zijn wereldbeeld het beste kan
verkopen. Er is een wisselwerking tussen de elite van producenten, marketeers
en merkenbouwers, achterban en kiezers. In de strijd om ideeën is het van
belang om in het medialandschap alle strategische belangrijke punten in te nemen.
Volgens Gramsci lukt dat door het creëren van een nieuw alledaags inzicht,
gezond verstand, waarmee het overgrote deel van de bevolking betekenis geeft
aan haar leefwereld. Door eindeloze ‘polemieken’ wordt de politieke betekenis
van bepaalde concrete gebeurtenissen ingepast in het eigen wereldbeeld.

In plaats van ‘u vraagt wij draaien’ bieden Wilders en nieuwrechts de bevolkingen een kant-en-klare politieke identiteit.

 

Dit is een hele korte samenvatting. Een geschreven versie
van de lezing is te vinden op http://www.d4net.nl/node/565.
Tijdens zijn lezing liet Merijn met http://www.youtube.com/watch?v=qtIEh2hqBFs
zien hoe goed Wilders de populistische technieken beheerst.

 

In het gesprek dat hierop volgde kwamen verschillende vragen
aan de orde:

 

Is een links populisme mogelijk?
Ja, vroeger schiep links ook een monolithisch beeld van
‘de arbeider’ en werkte het ook met symbolen zoals bijvoorbeeld de kapitalist met
de hoge hoed en dikke sigaar. Populisme is een politieke techniek.
Verschillende ideologieën maken er gebruik van.

Een populistische politiek wordt niet alleen van bovenaf
vormgegeven. Er is een wisselwerking. Zo is Wilders, met de vakbond, tegen de
verhoging van de AOW-leeftijd. En Geen Stijl is fanatiek tegen de huisbezoeken
door de Sociale Diensten. Daarmee gaan ze op de loop met linkse thema’s, een
hele slimme manier om met de realiteit om te gaan. De problemen die ze benoemen
zijn er ook werkelijk, maar het gaat erom hoe je die problemen definieert en
welke oplossingen je daarvoor aandraagt.

Populistische stromingen zijn vormend. Natuurlijk hebben
populistische technieken ook een normatieve waarde. Hoe blijf je integer bezig?
Wanneer is een versimpeling liegen? Het wordt gevaarlijk als populisme het
opsplitsen van gemeenschap inhoudt, daardoor worden de minderheden in de
gemeenschap bedreigd.

Links ziet het populisme te makkelijk als fout. We hebben
altijd geleerd dat onze middelen bij onze idealen moeten passen. Maar ook de
kraakbeweging maakte gebruik van populistische leuzen: ‘geen woning, geen
kroning’ werkte zeer wervend.

 

Zijn zonder populisme vernieuwende bewegingen mogelijk?
Obama verhief in zijn campagne niet een
bepaald deel van de Amerikanen tot ‘het volk’, bij hem was ‘het volk’ ook het
hele volk. Hij speelde wel met symbolen. Zo had hij het over de American Dream
als een gezamenlijke sociale strijd, waarin samen wordt gezorgd dat iedereen
zijn ziektekosten kan betalen. Obama was tijdens zijn campagne
niet-populistisch. Maar nu hij machtspolitiek moet bedrijven heeft hij het populisme
hard nodig. Een vernieuwende beweging kan niet zonder populisme, want om iets
te kunnen veranderen moet je altijd een massa creëren. Hij zou bijvoorbeeld
eens goed kunnen fulmineren tegen de zakkenvullers op Wallstreet, in plaats
daarvan heeft hij voor het klassieke poldermodel gekozen. Obama stelt zich als
‘neutraal’ op sinds hij de regering is. Links wordt in Amerika genadeloos
teruggedrongen. Obama verdedigt zich niet en probeert te polderen.

 

Waarom heeft rechts op dit moment beter de lessen van Gramsci geleerd dan links?
Links is in zijn schulp teruggetrokken, bang en zonder kracht.

Rechts heeft het initiatief kunnen nemen, omdat links moest
beschermen en behouden wat het jarenlang heeft opgebouwd. Rechts is lange tijd
niet het heersende wereldbeeld geweest. Rechts heeft het initiatief genomen om te
proberen bepaalde zaken terug te veroveren. Linkse partijen zijn niet bezig met
het formuleren van een visie. Ze zijn hard bezig om niet uit het establishment
te vallen. Het is moeilijk om een eenmaal verworven positie waarin je denkt
enigszins invloed te hebben op te geven. Dat gaat tegen elke (bedrijfs)logica
in. Elke politieke beweging wil politieke macht in het systeem en is dus bereid
water bij de wijn te doen.

Sinds Thatcher is het idee van de individuele consument in
de markt gezet en wordt alles wat probeert om als collectief op te treden
onschadelijk gemaakt.

Het poldermodel deed zijn intrede: elke beweging wordt
uitgenodigd aan de onderhandelingstafel en wie daar niet aan mee doet wordt
uitgeschakeld.

Merijn vertelt over een debat georganiseerd door de
Huurdersvereniging van Amsterdam (HA). De HA heeft een achterban met veel
ressentiment: ze hebben een bloedhekel aan (directeuren van)
woningbouwcorporaties. In het debat zat Wethouder Maarten van Poelgeest (die
zei niets), iemand van een woningbouwcorporatie (die was de kop van jut) en
iemand van de HA. De HA kon niet meegaan met de beschuldigingen en klachten van
haar achterban, want uiteindelijk moet zij daarna weer verder onderhandelen met
de woningbouwcorporatie. De HA kon niets doen met het ressentiment. Ze kan de
huurders alleen mobiliseren als het hele poldermodel bedreigd wordt.

De horizon van veel politici en maatschappelijke
organisaties is vaak klein. Ze zijn niet in staat om anders te denken. Veel
mensen zien dat en als Wilders hen dan allemaal zakkenvullers noemt, geven ze
hem groot gelijk.

Links heeft nieuwe concepten nodig om de realiteit te
bevatten. Er moet een visie geformuleerd worden. Maar een visie is vaag en
heeft dus symbolen nodig om te kunnen aanspreken en het zal tegelijkertijd
rekening moeten houden met bestaande ressentimenten. Ook is het altijd van
belang om een tegenstander te creëren. Vernieuwing heeft dus altijd populistische
elementen.

Gramsci wees ook op de rol van intellectuelen. Linkse
intellectuelen hebben niets gegeven wat dragend is. Linkse intellectuelen zijn
liberaal geworden. Ze zijn afhankelijk van de marktwerking.

 

Wat kunnen we leren van Wilders?
We kunnen van hem leren hoe hij de media bespeelt en hoe hij de
symboolthematiek kiest. Hij kiest voor het thema ‘migratie’. Problemen in
achterstandswijken, problemen met de bureaucratische overheid, problemen in de
publieke sector worden daaraan verbonden. De antiglobalisten deden hetzelfde, zij
kozen voor het thema ‘globalisering’ en zij linkten daaraan alle ellende. Maar globalisering
was en is geen reëel probleem in Nederland, de gevolgen van de globalisering
worden niet in de directe omgeving herkend.. Het was leuk om als tegenstanders naar
de internationale toppen te gaan, dat gaf een intens wij-gevoel. Wilders speelt
ook met het wij-gevoel, maar hij koppelt het aan problemen die ook werkelijk
leven en dat was bij de antiglobalisten niet het geval.

Wilders vertegenwoordigt niet de belangen van de
laaggeschoolde groepen. Maar links wist niet om te gaan met de immigratiegolf. Wilders
heeft ook geen oplossingen. Hij stelt alleen maar dat de buitenlanders het
probleem zijn. Links kan rechts aanvallen op het feit dat zij alle taallessen
en dergelijke heeft wegbezuinigd. Links zou kunnen stellen dat de allochtonen
wel meer problemen hebben dan alleen maar het feit dat van hun allochtoonschap een
probleem gemaakt wordt. En die problemen, zoals slechte banen, lage scholing,
vragen om andere antwoorden. Oftewel links moet eens gewoon een linkse politiek
gaan voeren.

Maar populistisch rechts heeft door beeldvorming erin
gestampt dat buitenlanders het probleem zijn. Links kan dan wel met mooie
oplossingen komen, toch blijft het idee hangen dat de buitenlanders eruit
moeten.

Links had moeten ageren tegen de bonussen van de bankiers,
dat zou pas goede symboolpolitiek zijn. In plaats dat Wouter Bos wist te
vertellen dat Scheringa zo aardig is, had hij moeten stellen dat hij
verschrikkelijk is en in de gevangenis thuis hoort.

 

Kunnen rechtspopulisten de macht overnemen?
Ze hebben die al. Ze hoeven daarvoor niet mee te
regeren. Wilders denkt niet in termen van dan en dan zo groot willen zijn. Voor
hem is alleen van belang dat de rechtse ideeën de boventoon voeren.