De Disneysering van de openbare ruimte

Door: Ronald van Steden Tijdschrift
voor Sociale Vraagstukken

De openbare ruimte lijkt steeds meer op een pretpark: veilig, voorspelbaar en bomvol fun. Het gevolg is een samenleving zonder rafelranden, met bewoners die niet kunnen omgaan met onverwachte gebeurtenissen en ontmoetingen.

Wie door de binnensteden van Nederland wandelt, zal het niet ontgaan
hoe homogeen hun uiterlijk is geworden. Overal dezelfde winkelketens
die vrijwel identieke producten en diensten leveren. ‘Mcdonaldization’
is deze ontwikkeling ook wel genoemd. Op hetzelfde moment loopt er een
proces dat verder gaat waar de mcdonaldisering ophoudt. Juist in een
gelijkvormige omgeving proberen ondernemingen hun waar in een zo
aantrekkelijk mogelijke omlijsting aan te bieden – een tendens die de
Britse hoogleraar Alan Bryman met de term ‘disneyization’ heeft
omschreven. Principes en waarden die zijn ontleend aan Disney worden
op een globale schaal toegepast om te verlokken en te verleiden. In
essentie gaat disneyisering om het ‘opleuken’ van producten, waardoor
consumenten meer aanschaffen dan strikt noodzakelijk is. Hierbij zijn
vier elementen leidend: thematisering, hybride consumptie,
merchandising en klantvriendelijkheid.
Bij thematisering gaat het erom dat ruimten in ‘een verhaal’ worden
geplaatst, zodat mensen iets bijzonders meemaken. Een aansprekend
voorbeeld is het Efteling Hotel dat ‘magische overnachtingen’
aanbiedt. Bezoekers kunnen slapen in het huisje van Sneeuwwitje, bij
de wolf en de zeven geitjes of in de koningssuite. Batavia Stad, een
factory outlet bezijden Lelystad waar in de stijl van een oud-Hollands
dorpje gewinkeld kan worden, spreekt tevens tot de verbeelding. Rond
de plek waar een replica van het zeventiende-eeuwse schip de Batavia
werd gebouwd, is een vestingstadje opgezet compleet met een zware
muur, stadspoorten, klinkerstraatjes en een reeks houten
winkelgebouwtjes. Of neem het familieparadijs Holle Bolle Boom nabij
Alkmaar. Naast een restaurant en camping omvat het complex een buiten-
en binnenspeeltuin, een overdekt waterfestijn en een koddig
supermarktje – dit alles omlijst met sprookjesfiguren, een
minigolfbaan en eettentjes.
Hierbij stuiten we meteen op het tweede element van disneyisering:
hybride vormen van consumptie. Kamperen, horeca en kinderfeestjes
worden innig met elkaar vervlochten. Ondernemers proberen langs deze
weg mensen maximaal aan hun bedrijf te binden. Als bezoekers blijven
plakken, zo is de gedachte, zullen zij kwistig geld blijven uitgeven.
Het derde element is merchandising: de verkoop van goederen met
uiteenlopende, onder licentie geproduceerde merken en bedrijfslogo’s.
Het vrolijke Efteling-clowntje Pardoes is terug te zien in poppen en
op bekers, luchthaven Schiphol verkoopt spulletjes met KLM erop en
Artis de Partis steelt de show als knuffelbaar hebbedingetje van de
welbekende dierentuin. Verkoop en reclame slaan twee vliegen in één
klap.
Ten slotte noemt Bryman ‘service with a smile’: een uiterst
klantvriendelijke en entertainende bejegening van mensen. Het
Amsterdamse winkelwalhalla Magna Plaza huurt ter verstrooiing van de
klant een pianist in, tijdens de feestdagen komen we in menig
stadscentrum kerstmannen tegen (soms compleet met arrenslee en
rendieren) en stewardessen zijn speciaal getraind om reizigers gerust
te stellen, waarbij zij meteen met taxfree drank, parfum en sigaretten
rondgaan. Mensen moeten zich te allen tijde welkom weten en thuis
voelen, zodat ze hun vrije tijd met volle teugen kunnen genieten.
Tegelijkertijd – en dat is het paradoxale – vraagt deze nadruk op
aangenaam verpozen om stringente regulering. De diverse
controlemechanismen hebben op tal van zaken betrekking: het doen en
laten van werknemers, het hoog houden van een imago, verkeersstromen,
maar bovenal het in de gewenste banen leiden van klanten en gasten.
Ruimtelijke inrichting en design in de vorm van wandelpaden, hekken,
paaltjes en borden moeten in combinatie met toegangsvoorwaarden,
huisregels, bewakingscamera’s en particuliere beveiligers menselijk
gedrag reguleren met het oog op een ongeremde vrijheidssensatie.
‘Helemaal losgaan’ valt perfect samen met de begrenzing hiervan.
Ritjes in de achtbaan belichamen de ultieme kick, terwijl mensen toch
stevig worden vastgesnoerd in hun stoeltjes. Schoon, heel en veilig
zijn welhaast ongemerkt onderdeel van uitgekiende marketingstrategieën
geworden. Veiligheid stelt niet alleen gerust, maar nodigt ook uit.

DE UITNODIGENDE inslag van pretparken, winkelcentra en andere
Disney-achtige omgevingen maakt dat de aanpak van criminaliteit,
overlast en ander onmaatschappelijk gedrag veelal in private handen is
terechtgekomen. Plat gezegd komt dit neer op het beginsel dat ‘wie
betaalt, bepaalt’. Particuliere beveiligers werken altijd in relatie
met een opdrachtgever. Daarbij ontlenen zij hun autoriteit aan de
toegangsvoorwaarden en huisregels. Voordat mensen een vliegtuig of
voetbalstadion betreden, stemmen zij impliciet in met de eis dat
beveiligers hen aan een uitgebreide security check onderwerpen.
Duidelijk leesbare borden bij de ingang geven aan dat zaken als
vuurwerk, wapens, drugs en vloeistoffen niet worden getolereerd. Als
de verboden worden overtreden, kunnen beveiligers mensen de toegang
tot een terrein weigeren. Desnoods zetten beveiligers met behulp van
politieagenten bezoekers uit als zij zich niet aan de regels hebben
gehouden. Menig hooligan is zo met een stadionverbod naar huis gestuurd.
Dit heeft belangrijke maatschappelijke consequenties. Ten eerste wordt
veiligheid instrumenteel ingezet. Criminaliteit en overlast worden
niet langer in morele, maar hoofdzakelijk in financiële termen geduid.
De primaire doelstelling van beveiligers is om schade en verlies te
voorkomen, niet het in de kraag vatten van dieven en vandalen. Misdaad
wordt pas misdaad wanneer er bedrijfsbelangen in het geding komen. Een
intrinsiek gemotiveerde normstelling – de ondersteuning van ‘goed’ en
de bestrijding van ‘kwaad’ – ontbreekt.
Ten tweede worden veiligheid en sociale controle fijnmazig verweven
met andere functies en aspecten van winkelcentra, luchthavens en
overige mass private properties. Te veel opvallend aanwezige
beveiligers kunnen de cliëntèle namelijk wel eens afschrikken. Ook
camerasystemen en attente winkelbedienden hebben een taak bij het
beperken van diefstalschade. Bezoekers van een winkelcentrum kunnen
zich vrij bewegen, maar ze worden overal in de gaten gehouden.
Ten slotte verandert de aard van de afgegeven sancties.
Civielrechtelijke instrumenten die bedoeld zijn om uitzetting en
uitsluiting mogelijk te maken, raken steeds meer in zwang om
overtreders van huisregels te straffen. Hierbij kan worden gewezen op
de groeiende betekenis van private justice in onze samenleving. Een
Nederlands equivalent van deze ontwikkeling is de invoering van de
zogenoemde collectieve winkelontzegging (CWO) als
veiligheidsinstrument. Door middel van CWO’s kunnen aangesloten
ondernemers aan mensen die onwenselijk gedrag vertonen voor hun winkel
een toegangsverbod opleggen van zes maanden tot een jaar. Particuliere
beveiligers en leidinggevenden zijn hierbij de spin in het web. Zij
moeten een overtreder, samen met een getuige, het CWO-formulier laten
ondertekenen. Dwang is uit den boze wanneer die overtreder weigert;
een CWO is ook rechtsgeldig als er twee getuigen tekenen. Daarna
hebben beveiligers de taak om verwijderde sujetten blijvend buiten de
deur te houden. Mocht na een eventuele strafrechtelijke vervolging
toch vrijspraak voor een verdachte volgen, dan heeft dit geen direct
effect op zijn CWO. Vrijspraak, zo is de redenering, neemt de
mogelijkheid niet weg dat de betrokkene alsnog over de schreef gaat.
Het is zaak alle kans op denkbare, maar nog niet geconstateerde
verliezen te voorkomen.
Dit voorbeeld toont aan dat de vrolijkheid van een pretparksamenleving
ook zo haar schaduwzijden heeft. Met de CWO wordt het klassieke
strafrecht buitenspel gezet, terwijl de rechtsbescherming voor burgers
beperkt blijkt. Attractieve omgevingen gaan gepaard met een aan de
oppervlakte onzichtbare, doch zeer aanwezige en doeltreffende harde
hand.

DE DISNEY-FILOSOFIE van consumptie aanwakkerende uitbundigheid is niet
beperkt gebleven tot de vrijetijdsindustrie. Onder invloed van city
marketing wordt ook het stedelijk domein neergezet als een
aanlokkelijk ‘thema’ vol met positieve impressies en nieuwe
ervaringen, inclusief een hotelarrangement, excursie en enthousiaste
gids. De openbare ruimte als geheel is trekken van een gereguleerd
pretpark gaan vertonen. Amsterdam beveelt toeristen aan ‘het fijne’
van de rosse buurt te leren kennen via ‘een pikante en informatieve
wandeling, die u rode oortjes zal bezorgen’. Vervolgens is het
mogelijk uit te rusten tijdens een boottour door de hoofdstedelijke
grachtengordel: ‘de kalme rust van het water’ zorgt voor een ‘relaxte
sfeer’.
Rotterdam pakt het heftiger aan met de organisatie van de Bavaria City
Racing – ‘Nederlands grootste Formule 1-event’, waar een heel
multimediaspektakel omheen is georganiseerd. Een speciaal in het leven
geroepen gaming site daagt geïnteresseerden vast uit: ‘Stroomt er bij
jou benzine door je aderen? Trap jij altijd het pedaal tot aan het
metaal? Dan ben jij kandidaat om een van onze bolides als snelste door
de straten van Rotterdam te brullen.’ De pompende adrenaline en
gierende banden slaan ervan af. Geheel opgewarmd kunnen liefhebbers de
fraaie sportwagens die door het straatbeeld flitsen tegemoet treden.
Na afloop is er een sleutelhanger van Rotterdam World Port City als
geinige herinnering aan een onvergetelijke dag.
Parallel aan deze ontwikkelingen zetten gemeenten in op
veiligheidsbeleid dat de logica van pretparken weerspiegelt.
Stimulering van feestelijke uitspattingen gaat gepaard met een
intensivering van beveiliging, toezicht en handhaving, met als gevolg
dat er fantasiesteden ontstaan waar ‘risicoloze risico’s’ volop
gekocht en genoten kunnen worden. Steden profileren zich op hun
spannende anders-zijn, maar dan wel graag binnen een overzichtelijke
en gebruikersvriendelijke setting. De opschoning, herinrichting en
herovering van de Amsterdamse rosse buurt kan in dit licht worden
geïnterpreteerd. Gewapend met de Wet Bibob probeert de gemeente van
criminaliteit verdachte seksbazen uit het straatbeeld te verdrijven.
Als zij de integriteit van hun bedrijfsvoering niet kunnen
verantwoorden, gaat de tent dicht. Buiten op de Wallen worden
zogenoemde Vliegende Brigades ingezet, bestaande uit toezichthouders,
handhavers en hulpverleners. Samen met onder meer de politie en de
GGD/GGZ binden zij de strijd aan tegen verloedering en overlast.
Zwervers, verslaafden, gestoorden en ander hinderlijk volk moeten waar
het kan worden geweerd. Nieuwsgierige toeristen, flanerende
dagjesmensen en schichtige behoeftigen vertoeven graag in een
verzorgde en vredige omgeving.
Langs deze weg wordt de bekoorlijkheid van de grote stad afgemeten aan
haar vermakelijkheidsgehalte. Wat steden bindt, schreef socioloog
Anton Zijderveld eerder, ‘is het leuke, zo niet de pret. (…) Het is de
pretparkstijl. (…) Beschilderde trams, van dichtregels voorziene
vuilniswagens en ludiek ogend straatmeubilair – een enig begripje! –
zijn tegenwoordig bekende onderdelen van tot pretparken omgebouwde
steden. Uitgekeken op de spelletjes en shows van de televisie, zo
lijkt het wel, willen we nu van de steden één grote audiovisuele en
vermakelijke show maken.’
Zijderveld besteedt in zijn verhaal geen aandacht aan het
veiligheidsaspect; de aanwezigheid van stewards, beveiligers,
portiers, uitsmijters en ander politie(achtig) personeel is iets van
latere jaren. Zeker tijdens festivals zoals het Rotterdamse racing
event en in het nachtleven valt dit op. Enerzijds hebben beleidsmakers
en ondernemers bewust ‘liminale’ – dat wil zeggen: ambigue en
desoriënterende – zones van verrukking en extase gecreëerd. Normale
omgangsvormen, de normatieve setting van het ‘gewone leven’, worden
even opzij gezet; vanuit winstoogpunt moet er gefeest en geflirt
worden. Anderzijds gaat zulks gepaard met een neergaande spiraal van
dronkenschap, vechtpartijen en veiligheidsmaatregelen. Zaken mogen
onder geen beding uit de hand lopen.

HET DOOR DISNEYISERING aangeprezen en gestimuleerde consumptiegedrag
wordt vaak verknoopt met het optimistische idee van (absolute)
vrijheid. Impliciet wordt het liberale uitgangspunt gehuldigd dat
individuen vrij moeten zijn om onafhankelijk en zonder belemmering hun
levensgeluk vorm te geven. Niettemin dreigt de utopische
aantrekkingskracht van ‘veilige vrijheid’ dergelijke uitgangspunten te
verdringen voor een hang naar controle en beheersing. Neem het
verschijnsel gated communities, compleet met eigen scholen,
ziekenhuizen en winkelcentra zoals Celebration, Disney’s modeldorp in
Florida. Iemand die in zo’n dorp een huis koopt, moet een
gedetailleerd contract ondertekenen. Daarin staan de in de gemeenschap
geldende rechten en regels opgesomd, van het alcoholverbod tot de
plaats waar de was moet worden opgehangen. Behaaglijke afzondering is
het uitgangspunt, wat alleen kans van slagen heeft als een zo
gelijkgezind mogelijke, en goed gereguleerde, bevolkingssamenstelling
wordt geconstrueerd. Conflict en wrevel staan de propere
community-identiteit alleen maar in de weg.
Bovendien laat het voorbeeld van gated communities zien dat binnen de
context van een aan consumptie verslingerde samenleving de vrijheid
van de één onevenredig veel ten koste gaat van die van de ander.
Ongedwongen wonen, winkelen en recreëren is aan een relatief kleine
elite voorbehouden die minderbedeelde bevolkingsgroepen zo ver
mogelijk buiten de poorten wil houden. In extremo kunnen dergelijke
tendensen uitmonden in wensen van zelfbarricadering, als uiting van
het passieve ‘recht’ alleen te worden gelaten.
Meer nog dan de gated community vormt dat van de sports utility
vehicle, de SUV, een krachtig beeld. Hoog verheven in hun Hummer H3,
BMW X5 of Audi Q7, compleet met airconditioning, global positioning
system en mobiele telefoonverbinding zijn de bestuurders de soevereine
heersers van het wegennet. Beschermd tegen alles en iedereen die hun
voor de wielen loopt wanen zij zich vrij en veilig. Dat het evenwel om
asymmetrische veiligheid gaat, leren de ongevallenstatistieken. En
echt vrij zijn de benzine slurpende eigenaren ook al niet, afhankelijk
als zij zichzelf en de samenleving maken van buitenlandse
olieproducenten.

VOOROPGESTELD DAT een dagje pretpark of fun shoppen heel gezellig kan
zijn, roepen de hierboven beschreven ontwikkelingen de nodige
bedenkingen op. Al eind jaren zeventig vroeg de socioloog Richard
Sennett zich af of we niet zo met onszelf gepreoccupeerd zijn geraakt
dat we geen interesse meer hebben in de wereld voorbij onze eigen
genoegens. En of het publieke domein nog wel een plek biedt aan mensen
om te participeren.
Sennett signaleerde een terugtred naar het bekende en vertrouwde van
de eigen private sfeer. Mensen trekken zich terug in zichzelf, in de
huiselijke kring of in ‘zuivere’ en als zodanig ‘antistedelijke’
gemeenschappen, belichaamd door shopping malls en gated communities.
Algemene belangen en het vermogen om met anderen om te gaan, raken uit
zicht, wat uiteindelijk aanleiding geeft tot twist en desintegratie.
Een gefragmenteerde samenleving is het eindresultaat.
Recenter heeft de filosoof Ad Verbrugge gewaarschuwd voor een
‘solipsistische’ levensinstelling. Hij bekritiseert de ondraaglijke
lichtheid van reclame, entertainment en ‘het moet gewoon lollig zijn’,
omdat er te weinig serieuze belangstelling overblijft voor de donkere
en moeilijke kanten van het menselijk bestaan. Tegelijkertijd blijft
de negativiteit van het leven wel degelijk ondergronds en onbewust
dooretteren, wat volgens Verbrugge tot uiting kan komen in een
kwaadaardige roes en plotselinge uitbarstingen van redeloze woede.
Voorbeelden zijn de populariteit van agressieve computerspelletjes,
donkere popmuziek, drugsgebruik en comazuipen tijdens uitgaansavonden
– tendensen die maar al te snel ‘zinloos geweld’ en extra
beveiligingsmaatregelen met zich meebrengen.
Ondanks het ietwat zware cultuurpessimisme waarmee deze beschouwingen
gepaard gaan, is het hernieuwde accent dat wordt gelegd op meer
communitaristische benaderingen van vrijheid relevant als tegenwicht
voor de onderhuidse leegte van een pretparksamenleving. In deze
kritische benaderingen wordt vrijheid niet louter individualistisch
opgevat als mogelijkheid van zelfontplooiing. Een mens kan,
integendeel, pas vrij zijn wanneer hij of zij het leven actief
invulling geeft, en dan draait het om meer dan ‘doen wat ik wil’. Dit
inzicht hangt samen met de idee dat veiligheid de grondtoon vormt van
een stabiele samenleving en een fundamenteel sociaal goed is. Veilig
verwijst niet alleen naar de afwezigheid van risico en gevaar, maar is
eveneens constituerend voor het smeden van identiteit, vertrouwen en
saamhorigheid.

EEN STEDELIJK DOMEIN waarin naar hartelust geconsumeerd kan worden,
maar dat verder van iedere gemeenschappelijkheid gespeend is, wordt
onleefbaar. Wat op termijn achterblijft, is een stad zonder
rafelranden, een hygiënische ruimte van gelijkgestemden. Dit is een
uiterst precaire situatie, aangezien het mensen almaar gevoeliger
maakt voor onregelmatigheden en incidenten. Deze constatering is
cruciaal, omdat in een pluralistische samenleving het uitgangspunt is
dat mensen openstaan voor onverwachte ontmoetingen die hen dwingen met
anderen om te gaan. Buiten onze eigen kaders kunnen denken is
essentieel voor democratisch burgerschap.
Vanuit dit perspectief moeten ontmoetingen binnen het publieke domein
niet alleen aangenaam en voorspelbaar zijn, maar tevens verwondering,
korzeligheid en zelfs irritatie kunnen oproepen. Pretparken hebben op
den duur iets saais en meligs over zich, omdat mogelijkheden van
spontaniteit en ontsnapping tot een minimum worden gereduceerd. Daar
komt bij dat pretparken eendimensionaal nadruk leggen op leuke en
fijne ervaringen. Dat het onverhoeds mis kan gaan, komt in dit
wereldbeeld niet op, terwijl tegenslagen als ongeluk, ziekte en dood
onlosmakelijk bij ons bestaan horen. Gevolg kan zijn dat er snel
paniekerig en in de verwijtende sfeer wordt gereageerd als het,
ondanks alle genomen veiligheidsmaatregelen, toch een keer misgaat
(een ‘aanslag’ op Koninginnedag!). Kunnen omgaan met wat ons
eenvoudigweg overkomt, is van wezensbelang voor de draagkracht van een
volwaardige samenleving.

Ronald van Steden is universitair docent bestuurswetenschappen aan de
Vrije Universiteit te Amsterdam. Dit essay is een bewerking van een
hoofdstuk uit het deze week verschenen jaarboek van het Tijdschrift
voor Sociale Vraagstukken, over het debat rond de openbare ruimte:
Hans Boutellier, Nanne Boonstra en Marcel Ham (red.), Omstreden
ruimte: Over de organisatie van spontaniteit en veiligheid, Van
Gennep, 272 blz., € 22,50