Door: Paul Mepschen uit Konfrontatie
Als de affaire rond en het ontslag van Tariq Ramadan een ding ten overvloede duidelijk maakt, is dat links niet om de langzamerhand alomtegenwoordige islam-haat in Nederland heen kan. Ramadan is zonder enige twijfel het slachtoffer geworden van een islamofobische hetze.
Islamofobie
Ramadan wordt er niet zomaar van beschuldigd
‘met dubbele tong’ te spreken of een ‘wolf in schaapskleren’ te zijn. Moslims
zijn in de ogen van islamofobisch, populistisch rechts gewoon niet te
vertrouwen. Een islamitische intellectueel die bovendien de imperialistische
oorlogen in Irak en Afghanistan en de bezettingspolitiek en het geweld van
Israël scherp bekritiseerd, moet kapot gemaakt worden, zoals de Iraanse Nederlanders
Benham Taebi, Peyman Jafari en Farhad Golyardi in Trouw terecht stellen.
De logica van de islamofobie is simpel en
effectief. Moslims zijn niet te vertrouwen en vormen een bedreiging voor de
morele en culturele contouren van de Nederlandse natiestaat; van ‘het westen’;
van de democratische samenleving; van ‘tolerante’ waarden. Ze vormen in de ogen
van extreem-rechtse politici als Geert Wilders en islamofobische
‘intellectuelen’ als Afshin Ellian bovendien een coherent, eenvormig blok.
Islamofoben houden eigenlijk vol dat moslims een ander soort mensen zijn. Hun
loyaliteit ligt altijd eerst bij god of de Koran, niet bij de samenleving,
democratische waarden, mensenrechten, de grondwet of menselijke waarden als
vriendschap en liefde. Een van de consequenties van de islamofobie is dan ook
de dehumanisering van moslims. Een dehumanisering die het onder andere mogelijk
maakt dat mensen gemarteld worden door of in opdracht van Amerikaanse
militairen; dat het brute, gewelddadige optreden van Israël in Palestina steeds
weer door de vingers wordt gezien en goedgepraat; dat ‘Het Parool’ zonder
morren een column van Theodor Holman plaatst waarin de facto wordt gepleit voor
een soort biologische bevolkingspolitiek als oplossing voor het door Holman
veronderstelde islamitische probleem in Nederland.
Secularisme en individualisme
De islam vertegenwoordigt, zo lijkt het, voor
veel mensen de terugkeer van de religie en de bedreiging van seculiere waarden.
Nederlanders hebben de neiging hun eigen geschiedenis op te vatten als een
lange en moeizame strijd tegen een allesbepalend calvinisme of katholicisme. Na
de jaren zestig is Nederland in razend tempo geseculariseerd, een proces dat in
Nederland veel sneller en radicaler is verlopen dan in andere landen, zo stelt
onder andere de godsdiensthistoricus Peter van Rooden. Van Rooden betoogt dat
in de jaren zestig in Nederland een radicale verschuiving optreedt van een
situatie waarin religie vanzelfsprekend het handelen en de sociale context van
mensen bepaalt naar een situatie waarin idealen ‘van de expressieve en
reflexieve zelf’ centraler komen te staan.[ii]
De antropoloog Peter van der Veer stelt dat een ethos van ‘plezier’ en
consumptie in het Nederland van na de jaren zestig centraal is komen te staan.
Dat ethos wordt gezien als belangrijke verworvenheid van de secularisering.
Moslims bedreigen volgens Van der Veer in de ogen van veel Nederlanders het
ethos waarin vrijheid, consumptie en individualisme centraal staan.. Dat juist
figuren als Pim Fortuyn en Theo van Gogh zo’n cruciale rol speelden in
islamofobische politiek is dus geen verrassing. Zij belichaamden het hedonisme
en consumentisme van de postmoderne, ‘postcalvinistische’ Nederlandse
samenleving. Moslims daarentegen brengen een zichtbare en belichaamde religie (de hoofddoek!) opnieuw de
publieke sfeer in en bedreigen ‘de verworvenheden van de jaren zestig’.
Zowel Van der Veer als Van Rooden negeren de
opkomst van het neoliberalisme. Maar juist het neoliberale offensief vanaf eind
jaren zeventig geeft een specifieke, rechtse draai aan de idealen en praktijken
van ‘de expressieve en reflexieve zelf’ en legt de basis voor de virulente
islamofobie waar we vandaag mee te maken hebben.. Het neoliberale
individualisme wordt gekenmerkt door een sterke nadruk op het autonome
individu, dat verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn of haar eigen welzijn.
(‘Er is in dit land te veel solidariteit’, riep VVD’er Annemarie Jorritsma begin deze eeuw. Twee
decennia eerder stelde Margaret Thatcher:: ‘There is no such thing as
society.’).
Islamofobische vertogen construeren moslims
als te weinig autonoom en individualistisch. Hun (veronderstelde) verbondenheid
aan religie, traditie, gemeenschap, verleden wordt gezien als probleem en als
een (culturele) verklaring voor uitsluiting, marginalisering, armoede. Men is
gewoon niet ‘modern’ genoeg. Islamofobie en neoliberalisme zijn sterk met
elkaar verbonden. Islamofobische partijen en politici, van Bolkesteijn tot
Verdonk, van Fortuyn tot Wilders,
benadrukken de zogenaamde oververtegenwoordiging van migranten onder baanlozen,
bijstandsgerechtigden en arbeidsongeschikten om harde aanvallen op de
verzorgingsstaat te rechtvaardigen.
Links en de islamofobische context
Tariq Ramadan belichaamt ‘de islamitische
dreiging’. Hij is met zijn weinig ‘traditionele’ voorkomen niet met plat
racistische beeldvorming af te serveren. Net als Dyab Abou Jahjah enkele jaren
geleden moet hij het ontgelden omdat hij niet gemakkelijk tot een ‘ver
verleden’ te veroordelen is. Hij spreekt de taal van de moderniteit, maar
bepleit tegelijkertijd een rol voor de godsdienst. En nog wel voor een
godsdienst die niet van eigen bodem is. Hij bepleit een islamitische
(culturele) politiek.
Kritiek op Ramadan is natuurlijk mogelijk,
misschien zelfs noodzakelijk, vanuit socialistisch, feministisch, en queer perspectief. Maar links lijkt de mate waarin de islamofobie en
rechtspopulisme de contouren van het debat bepalen te onderschatten.
SP-integratie woordvoerder Sadet Karabulut reageerde in april, tijdens de eerste
Ramadan-affaire, te snel en te ongenuanceerd op de aantijgingen van VVD’er Henk
Krol, hoofdredacteur van de Gay Krant, en bepleitte het ontslag van Ramadan.
De SP in Rotterdam heeft nooit iets gezien in
de aanstelling van Ramadan omdat ze niet gelooft dat een academicus zonder
kennis van de Nederlandse taal de integratie in de stad vooruit helpt. De
partij heeft zich echter in publicaties en in het publieke- en raadsdebat ook
steeds stevig verzet tegen islamofobie en racisme. Desalniettemin zal het ontslag
van Ramadan ook de SP aangerekend worden. In een klimaat dat door islamofobie
wordt vergiftigd gaat iedere nuance verloren.
Links kan letterlijk niet om de islam-haat
heen. De islamofobie in Nederland bepaalt helaas voor een groot deel hoe
standpunten, meningen, publicaties op het vlak van integratie en religie door
de media worden ‘geframed’; hoe deze worden uitgelegd en geïnterpreteerd. Onder
andere door gemeenschappen en individuen die het object zijn van Wilders’ haat
en uitsluiting. Of we de strijd tegen Wilders kunnen winnen hangt voor honderd
procent af van de vraag of het lukt om moslims en andere migranten samen met
progressieve Nederlanders in beweging te krijgen. Links – en de SP is eerlijk
gezegd de belangrijkste kracht – moet zich verbinden aan het lot van migranten
en dus het racisme en de islamofobie serieus nemen. De affaire Ramadan lijkt
voorlopig eerder een stap terug dan een stap vooruit, wat laat zien dat we nog
eens goed moeten nadenken over wat de opkomst van de islamofobie betekent voor
Nederlands links, voor sociale bewegingen, voor de vakbeweging. Het is beter om
daarover nu na te denken dan als Wilders in het Catshuis zit.
Paul Mepschen is als promovendus verbonden
aan de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek (ASSR) van de
Universiteit van Amsterdam. Hij doet (onder andere) onderzoek naar
autochtonie, burgerschap en beleid in lokale gemeenschappen. Hij is lid van de
redactie van Grenzeloos.
[ii] Peter van Rooden, ‘Oral History
en het vreemde sterven van het Nederlandse christendom’. In: Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der
Nederlanden, 119. (2004).
[iii] Peter van der Veer, ‘Pim Fortuyn,
Theo van Gogh, and the Politics of Tolerance in the Netherlands’. In: Public
Culture, 18 (1). (2006).