Zo lossen we de energiecrisis (nooit) op

Door: Kris De Decker uit Lowtech Magazine

Zolang we niet stoppen met het bouwen van nieuwe steenkool-, olie- en gascentrales heeft het ontwikkelen van energie-efficiënte technologie en het plaatsen van zonnecentrales en windmolens weinig zin. Veel belangrijker dan wat we wel doen, is wat we niet doen.

Het aandeel van hernieuwbare energie in de totale elektriciteitsproductie stijgt. Maar dat zet weinig zoden aan de dijk zolang ook de totale elektriciteitsproductie blijft stijgen. We stoken nog altijd ieder jaar meer fossiele brandstoffen op. Hernieuwbare energiebronnen vervangen
geen steenkool-, olie- of gascentrales, ze vangen slechts (gedeeltelijk) het steeds groeiende energieverbruik op. De oplossing is eenvoudig: stel een absolute limiet aan de totale energieproductie.
Waarom zouden we het in 2030 niet kunnen stellen met de hoeveelheid energie die we vandaag verbruiken?

Ondanks het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de elektriciteitsproductie, stoken we steeds meer fossiele brandstoffen op. Dat is zo in Nederland, op Europees vlak, in de Verenigde Staten, en wereldwijd. België is een buitenbeentje, omwille van het hoge aandeel kernenergie (zie verder in de tekst).

De situatie in Nederland biedt een goed vertrekpunt, niet alleen omwille van het lage aandeel kernenergie, maar ook omdat er reeds aanzienlijke inspanningen werden geleverd om de elektriciteitsproductie te verduurzamen. De hoeveelheid "groene" elektriciteit in Nederland nam van 1998 tot 2008 met maar liefst 400 procent toe, van 2,3 miljoen megawattuur (MWh) in 1998 tot 9,5 miljoen MWh in 2008. Het aandeel groene stroom
(dat vooral bestaat uit biomassa) groeide daarmee aan van 2,5 procent tot 9 procent (bron). Dat klinkt heel positief, en dat zijn ook de cijfers die meestal het nieuws en de rapporten halen.

We gaan achteruit, niet vooruit

Helaas vertellen ze maar een deel van het verhaal. Hoewel het aandeel door fossiele brandstoffen opgewekte stroom in diezelfde periode daalde van
90 tot 85 procent, nam de absolute hoeveelheid door fossiele brandstoffen opgewekte elektriciteit wel toe van 83 miljoen MWh in 1998 tot bijna 90 miljoen MWh in 2008.
Met andere woorden: van 1998 tot 2008 groeide de hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit met 7,2 miljoen MWh en de hoeveelheid niet-duurzaam opgewekte elektriciteit met 7 miljoen MWh.

De reden is natuurlijk dat de totale elektriciteitsproductie bleef stijgen, van 92 miljoen megawattuur in 1998 tot 105 megawattuur in 2008 (een stijging van 14 procent op tien jaar tijd). Die 7 miljoen megawattuur duurzaam opgewekte elektriciteit wordt algemeen bewierookt, maar in feite heeft ze Nederland geen stap verder gebracht, integendeel. De Nederlanders zijn voor hun elektriciteitsproductie vandaag nog afhankelijker van fossiele brandstoffen dan in 1998. En dat geldt ook voor de andere Europeanen, de Amerikanen en de wereldbevolking als geheel (pdf).

Laat die windturbines maar zitten

Natuurlijk had het nog erger gekund: daarom spreken beleidsmakers en statistici graag over "vermeden verbruik van fossiele energie" en "vermeden emissie van CO2". Als we helemaal geen duurzame energieproductie hadden uitgebouwd, dan hadden we nog meer fossiele brandstoffen opgestookt.

Maar wie houden we hiermee voor het lapje? We zouden vandaag evenveel fossiele energie en CO2 "vermeden hebben" als we tussen 1998 en 2008 geen enkele groene energiecentrale hadden gebouwd, maar wel de stijging van het elektriciteitsverbruik hadden beperkt tot 7 miljoen MWh, in plaats van de opgetekende 14 miljoen MWh. We hadden dan even afhankelijk geweest van fossiele brandstoffen en hadden evenveel CO2 uitgestoten als nu -
zonder die 7,2 miljoen MWh duurzaam opgewekte elektriciteit.

PetroleumDat resultaat zou zelfs beter geweest zijn, want in dat scenario hadden we de energie (en het geld) bespaard die het gekost heeft om die duurzame energiecentrales en energiebronnen - zonnepanelen, windturbines, pellets - te produceren. Die 7,2 miljoen MWh duurzaam opgewekte elektriciteit
is namelijk niet gratis. Het gaat hier niet om "schone" brandstoffen, maar om (weliswaar aanzienlijk) "schonere" brandstoffen.

Zonnepanelen en windmolens verbruiken geen steenkool of gas tijdens hun levensduur, maar wel tijdens hun productie (aangezien zonnepanelen en windturbines meestal ver buiten Nederland of België worden
geproduceerd, is daar overigens niets van te merken in de nationale of Europese statistieken). Let op: de ingebedde energie van windturbines en zonnepanelen is geen probleem als die windturbines en zonnepanelen
niet-duurzame energiecentrales vervangen, want dan besparen we wel degelijk energie. Maar aangezien dat niet zo is, introduceren ze ontegensprekelijk extra energieverbruik.

Van status-quo naar vooruitgang

Dit betekent uiteraard niet dat steenkoolcentrales te verkiezen zijn boven windturbines of zonnepanelen. Als we wel de duurzame energiecentrales hadden gebouwd maar de productie van niet-duurzame energie hadden bevroren, dan hadden we vandaag geen status-quo maar een vooruitgang geboekt. Hetzelfde als we het energieverbruik op het niveau van 1998 hadden bevroren en niets hadden bijgebouwd - duurzame noch niet-duurzame energiecentrales.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

Hernieuwbare energiebronnen werden tot nu toe aangewend om de energieproductie verder uit te breiden, niet om ze te verduurzamen

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

Ook in dat geval zouden we er op vooruit zijn gegaan: we zouden vandaag minder afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen en we zouden gevoelig minder CO2 en luchtvervuiling produceren. We deden echter niets van dit alles. Of beter gezegd, we deden alles tegelijk: meer duurzame centrales bouwen, meer niet-duurzame centrales bouwen, en meer energie verbruiken.

Energiebronnen op elkaar stapelen

Nieuw is die trend niet. Waar we in feite al meer dan 100 jaar mee bezig zijn, is het op elkaar stapelen van energiebronnen. Zowel in België, Nederland als wereldwijd is de totale hoeveelheid uit steenkool opgewekte elektriciteit vandaag
groter dan een eeuw geleden - toen er van gas, olie en kernenergie nog geen sprake was en de hele industriële samenleving op steenkool draaide. De vuile steenkool uit het begin van de industriële revolutie is niet vervangen door de schonere gascentrales. De gascentrales kwamen erbij.

Kernenergie verving vervolgens de bestaande gas- en steenkoolproductie niet, ze vulde die aan. En met duurzame energie gebeurt vandaag precies hetzelfde. We komen ermee tegemoet aan energieverbruik dat voorheen niet bestond. Nieuwe en schonere
energiebronnen worden aangewend om de energieproductie verder uit te breiden, niet om ze te verduurzamen (zie ook de grafiek hieronder, die de gebruikte energiebronnen aangeeft in de VS voor de periode 1845-2001
bron).

VS energieconsumptie 1845 tot 2001

Die zogenaamde "verduurzaming" van onze elektriciteitsproductie,
waar zoveel over gepraat en geschreven wordt, is dus nog altijd 100
procent "wishful thinking". We staan geen stap verder dan 5, 10, 20 of
zelfs 100 jaar geleden, terwijl we ondertussen wel een
grootschalige introductie van elektrische auto's
plannen. Nochtans hebben die weinig zin als de "brandstof" ervoor niet
op een duurzame manier wordt geproduceerd. First things first.

België en kernenergie

Kernenergie
- door sommigen als een groene energiebron beschouwd - biedt evenmin
een uitweg, zo leert de situatie in België. Ondanks de forse toename
van door kerncentrales opgewekte elektriciteit (van
11.407 gigawattuur in 1979 naar 48.227 gigawattuur in 2007) is het
absolute aandeel van fossiele brandstoffen in de Belgische
elektriciteitsproductie nauwelijks gedaald: in 1979 bedroeg het 40.264
gigawattuur, in 2007 was het 34.524 gigawattuur. De reden: de totale
elektriciteitsproductie in België steeg van 58.982 gigawattuur in 1979
naar 104.636 gigawattuur in 2007. (bron).

Percentages versus absolute cijfers

Belangrijker dan wat we wel doen is wat we niet doen.
De sleutel tot vooruitgang is het terugschroeven - of op zijn minst
gelijk houden - van de niet-duurzame energieproductie. In plaats van
zich op de ontwikkeling van duurzame energie te richten, zouden
beleidsmakers alles in het werk moeten stellen om ervoor te zorgen dat
er geen kilowattuur niet-duurzame energieproductie meer bijkomt.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

Dat het aandeel hernieuwbare energiebronnen stijgt, is van secundair belang. Waar het om gaat, is dat de absolute hoeveelheid opgestookte fossiele brandstoffen daalt.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

Het probleem is dat alle beleidsdoelstellingen gericht zijn op het procentuele aandeel van de verschillende energiebronnen, en nooit absolute
streefdoelen aangeven. Die aanpak is volstrekt nutteloos zolang het
totale elektriciteitsverbruik blijft stijgen. De niet aflatende groei
van het elektriciteitsverbruik doet de investeringen in hernieuwbare
energiebronnen immers teniet.

Politieke doelstellingen over hernieuwbare energie zijn zonder
uitzondering relatieve cijfers. Bijvoorbeeld in het in september
verschenen "Eurostat jaarboek 2009" staat de volgende zin: "Een duurzame energie-politiek is afhankelijk van het verhogen van het aandeel
van hernieuwbare energie" (mijn cursivering). Die bewering is fout,
maar ze wordt zo vaak herhaald dat niemand er nog bij stilstaat.

Hetzelfde refrein in het vorige maand gelanceerde "Strategic Energy Technology Plan"
(SET-plan), dat de komende 10 jaar 50 miljard euro extra zal investeren
in schonere technologieën om "klimaatverandering tegen te gaan en de
Europese Unie
minder afhankelijk te maken van buitenlandse energiebronnen". De
doelstellingen: in 2020 moet 20 procent van de totale
elektriciteitsproductie worden opgewekt door windenergie, 15 procent
door zonne-energie en 14 procent (van de totale energiemix) door
biomassa. Nergens in het plan geeft de EU doelstellingen aan die
betrekking hebben op absolute cijfers.

Energie-efficiëntie

Dat het aandeel hernieuwbare energiebronnen stijgt, is van secundair belang. Waar het om gaat, is dat de absolute hoeveelheid opgestookte fossiele brandstoffen daalt.
Alleen dan worden we minder afhankelijk van buitenlandse
energieleveranciers en schroeven we de uitstoot van CO2 terug. Het
SET-plan heeft weliswaar aandacht voor energie-efficiëntie, dat het
"eenvoudigste en goedkoopste alternatief" wordt genoemd "om de uitstoot
van CO2 terug te schroeven en de energie-bevoorrading te verzekeren".
Maar laat dit nu net het enige luik zijn waarin geen enkel streefcijfer
wordt voorgesteld - absoluut noch relatief. 

Wereldwijd

Op
wereldvlak is de nutteloosheid van de bestaande aanpak nog duidelijker.
De
hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit (zon, wind, biomassa)
steeg wereldwijd van 31.000 gigawattuur in 1980 tot 414.000 gigawattuur
in 2006 - een verdertienvoudiging of een absolute toename van 383.000
gigawattuur (bijna 4 keer de totale elektriciteitsproductie in België). 

Wereldwijde energieconsumptie der spiegel

Maar de hoeveelheid door steenkool en gas opgewekte elektriciteit
verdubbelde in die periode, goed voor een absolute toename van
6.355.900 gigawattuur (ongeveer 60 keer de totale
elektriciteitsproductie in België). De totale, globale
elektriciteitsproductie steeg van 8.027.000 gigawattuur tot 18.008.000
gigawattuur, maal 2,5 dus. (bron,
pdf). Kijken we naar de totale energieproductie in plaats van alleen
naar de elektriciteitsproductie, dan is het overwicht van fossiele
brandstoffen nog groter.

76 procent meer elektriciteitsverbruik in 2030

Aan die trend lijkt vooralsnog geen einde te komen. Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) publiceerde deze week de "World Energy Outlook 2009",
waarin vooruit wordt geblikt naar 2030. Volgens de organisatie (die
momenteel onder vuur ligt omdat ze onder druk van de VS zou liegen over
de resterende olievoorraden) zal het energieverbruik in 2030 met 40
procent gestegen zijn tegenover vandaag. Dit ondanks het feit dat het
globale energieverbruik in 2009 voor het eerst sinds 1981 is gedaald
wegens de economische crisis.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

Alle beleidsdoelstellingen zijn gericht op het aandeel van de verschillende energiebronnen, maar ze geven nooit absolute streefdoelen aan

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

De
elektriciteitsproductie zal naar verwachting met nog eens 76 procent
stijgen tegen 2030, wat neerkomt op een benodigd extra vermogen van
4.800 gigawatt - bijna 5 keer de huidige productiecapaciteit in de
Verenigde Staten. Zelfs als we op 20 jaar tijd 4.800 gigawatt duurzame
energiecentrales zouden plaatsen (iets wat de IEA zelfs in haar meest
optimistische scenario's totaal onwaarschijnlijk acht), dan nog zouden
we geen stap verder staan dan vandaag. Wat we moeten aanpakken
is dat wat bijna als een onwrikbare natuurwet wordt beschouwd: de niet
aflatende
stijging van het energieverbruik.

De oplossing

Voor
alle duidelijkheid: alle inspanningen die nu worden geleverd zijn op
zich zinvol. Onderzoek naar en ontwikkeling van duurzame energiebronnen
en energie-efficiënte apparatuur zijn nodig. Willen ze echter het
gewenste resultaat opleveren, dan is er meer nodig.

Het is interessant om zien wat er zou gebeuren als, bijvoorbeeld, de
EU zou besluiten om als bijkomend streefdoel te stellen dat er in 2020
slechts evenveel elektriciteit mag worden verbruikt als vandaag. Alle
andere maatregelen worden dan opeens wel zinvol. Want als in dat geval
het aandeel duurzaam opgewekte elektriciteit stijgt, dan zal het
aandeel niet-duurzame elektriciteit automatisch dalen.
Energie-efficiënte technologie zal dan automatisch worden omgezet in
energiebesparing, en niet in extra toepassingen of prestaties zoals dat
nu wel vaak het geval is (de paradox van energie-efficiëntie).

Windmolenpark spanje

Met elke kleine stap voorwaarts in hernieuwbare energieproductie en
energie-efficiënte technologie zouden we in dat scenario dus minder
afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, en zouden we minder CO2
uitstoten. Daarbij is deze maatregel niet eens drastisch te noemen: als
we het vandaag kunnen redden met de energie die we nu verbruiken,
waarom dan in 2020 niet? We kunnen naar hartenlust nieuwe producten en
diensten ontwikkelen, alleen zullen we ervoor moeten zorgen dat die
efficiënt omspringen met energie. Gezien de hoeveelheid energie die de
meeste producten nu verspillen, is er ontzettend veel ruimte voor
innovatie, verbetering, en dus economische groei.

Vraag en aanbod

Momenteel
proberen we onze energieproductie steeds opnieuw aan te passen aan een
steeds
stijgende vraag. Het kan ook andersom: we kunnen proberen om ons
verbruik aan te passen aan het bestaande aanbod. Dat is - gezien
de omstandigheden - een veel realistischer en verstandiger strategie.
We kunnen wachten tot de geologische, economische of geopolitieke
werkelijkheid het aanbod zal verlagen, maar daar nu al op anticiperen
kan de kans op een succesvolle overgang naar een duurzame, minder
energie-intensieve samenleving alleen maar verhogen.

Een nog verstandiger strategie is het "Oil Depletion Protocol",
een
idee
van auteur Richard Heinberg. Die stelt een internationale afspraak voor
om elk jaar de olieproductie en de olieconsumptie met 2,6 procent te
verlagen. Ook Peakoil Nederland stelde gisteren voor het olieverbruik tegen 2020 te verlagen met 20 procent.

Niet de schuld van China

Tot slot: het IEA merkt op dat de stijging van het energieverbruik grotendeels voor
rekening komt van niet-westerse landen, met China op kop. Dat pleit ons
echter helemaal niet vrij. Zoals de IEA in een vorig rapport berekende, is bijna
30 procent van het energieverbruik in China afkomstig van de fabricage
van exportgoederen
- van fietsen over jeansbroeken tot zonnepanelen. Het
westen slaagt erin om de stijging van het energieverbruik te beperken
omdat het steeds meer energieverbruik heeft uitbesteed.

Bovendien
(zo stelt het agentschap in haar pas verschenen rapport) zijn de
niet-westerse landen ondanks hun hoge aandeel in het huidige
energieverbruik slechts goed voor 42 procent van de uitstoot van
broeikasgassen sinds 1890 - en dat met een veel grotere bevolking. Wij
zullen dus ons energieverbruik verder moeten terugschroeven dan zij.

© Kris De Decker