Washingtons noodlottige manipulatie in Libanon en Palestina

Amal Saad-Ghorayeb
Open Democracy, 6 augustus 2007

De pogingen van de Verenigde Staten om HAMAS en Hizbullah te onder­mijnen maken deel uit van een tweedracht-zaaiende, beginselloze en gevaarlijke Midden-Oosten-strategie.

Er worden op het ogenblik veel parallellen getrokken tussen de crises in Palestina en Libanon. Sommige daarvan betreffen de meest zichtbare over­eenkomst: het scenario van 'twee staten, twee regeringen', dat al een realiteit geworden is in Palestina (met verschil­lende machthebbers in de Strook van Gaza en op de Westelijke Jordaanoever) en dat dreigt in Libanon (waar het land gepolari­seerd is tussen grote politieke blokken). Maar er bestaan meer gelijkenissen tussen deze beide situaties en tussen de politieke ontwikkelingen en spelers erachter, en het is een onont­koombare realiteit dat de regionale politieke strategie van de Verenigde Staten ten grondslag ligt aan de conflicten die zich in deze twee landen ontwikkelen­.

In de Amerikaanse agenda - een doorslaggevende factor in beide crises - is de gemeen­schappelijke factor, dat door de bevolking gekozen 'radicale' krachten (HAMAS en Hizbullah), die zich militair tegen Israel verzetten en een politie­ke confrontatie met de Verenigde Staten aangaan, geneutraliseerd moeten worden. Daarbij worden dan de 'gematigde' regeringen in de regio, die de Verenigde Staten vriendschappelijk gezind zijn en die democratisch heten te zijn (die van Mahmoed Abbas en van Foead Siniora), als instrument ge­bruikt.

In een toespraak in juli 2007 gaf president George Bush jr. zich niet veel moeite om deze parallelle Amerikaanse agenda's te verbergen toen hij betoogde:

(Het) conflict in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever gaat tussen extremisten en gematigden, en dit zijn niet de enige plekken waar de krachten van radicalisme en geweld een bedreiging vormen voor vrijheid en vrede. De strijd tussen extremisten en gematigden speelt zich ook af in Libanon, waar Hizbullah, Syrië en Iran proberen de door het volk gekozen regering te destabiliseren.'

Door deze analogie consequent door te trekken hebben de Verenigde Staten een politiek gevoerd die erop gericht is om Hizbullah en HAMAS te verzwakken - zo niet volledig weg te vagen - met diplomatieke, militaire, politieke en nu ook juridische middelen. Als onderdeel van deze campagne volgt Washington in de beide arena's een vrijwel identieke strategie, waarbij al bestaande onderlinge politieke rivaliteit in een openlijk conflict wordt omgezet.

Elk mogelijk proces van toenadering tussen de elkaar bestrijdende groeperin­gen is door de Verenigde Staten gedwarsboomd. Daaronder regionale initiatieven en dialoog-bijeenkomsten, in Palestina tussen HAMAS en FATAH en in Libanon tussen de door Hizbullah geleide oppositie en het 14 Maart Blok [een bundeling van anti-Syrische partijen, die na de moord op oud-premier Rafiq Hariri tot stand is gekomen; red.]. Het gevolg is geweest, dat bestaande scheidslijnen diepe en onverzoenlijke tegenstellingen geworden zijn. Deze hebben in Palestina bijgedragen aan het uitbreken van een burgeroorlog en in Libanon tot een situatie die daarvan zo langzamerhand niet veel verschilt. De oorlog van juli/augustus 2006 [de Israelische aanval op Libanon; red.] en het interne Palestijnse conflict zijn betiteld door respectievelijk Ameri­kaanse functionarissen en door Amerika's belangrijkste bondgenoot in de regio, Israel, als 'een gouden kans'. In Arabische ogen bevestigt dit de omschrijving die [neocon] Robert Satloff gaf van de Amerikaanse politiek in de regio: 'constructieve instabiliteit'.

de prijs van partij kiezen

Het tactische verlangen van de Verenigde Staten om deze twee politieke entiteiten in het Midden-Oosten in een toestand van instabiliteit te houden, komt voort uit hun strategische streven om de stabiliteit te verzekeren van de regimes van hun 'gematigde' Arabische bondgenoten.

Libanon en Palestina kennen beide een democratische traditie, maar in beide landen zijn ook verzetsgroeperingen, die vijandig staan tegenover de Amerikaanse en Israelische belangen, aan de macht gekomen of kwamen daar dichtbij. Dat heeft voor de regering-Bush aanleiding gevormd om alle pretenties omtrent het bevorderen van democratie te laten varen en zich te begeven in een regelrechte ont-democratisering van Palestina en Libanon. Tot de methoden waarvan de Verenigde Staten zich bedienen (waarover later meer) om de democratische fundamenten en de stabiliteit van deze naties te doen wankelen behoren: het ondermijnen van de nationale eenheid, het schenden van de soevereiniteit, de weigering om de volkswil te respecteren en pogingen om te camoufleren dat de regeringen in beide landen de legitimiteit krachtens volkswil en staats­recht verloren hebben. Kortom: steun aan mislukte staten, in plaats van het bevorderen van de verdere opbouwen van de staat.

Dergelijke activiteiten zijn opgevoerd sinds Hizbullah in de oorlog van juli/augustus 2006 een overwinning op Israel wist te behalen en HAMAS in juni 2007 FATAH de Strook van Gaza uit werkte. Deze twee gebeurtenissen brachten de regering-Bush ertoe naarstig te zoeken naar mogelijkheden om Foead Siniora (Libanons premier) en Mahmoed Abbas (Palestina's president) bij te staan in de strijd met hun concurrenten. De Verenigde Staten streven op staatsni­veau banden na met hun 'gematigde' Arabische vrienden van het autocratische slag - Egypte, Jordanië en Saoedi-Arabië - maar in Libanon en Palestina loopt hun steun aan bondgenoten via bepaalde leiders en/of stromingen - dat wil zeggen: niet via staatsinstellingen.

Door op een dergelijke manier partij te kiezen, speelt Washington een gevaarlijk spel, waarbij het politieke groeperingen die niet echt op een meerderheid - laat staan op een overweldigende meerderheid - steunen, als de werkelijke nationale krachten voorstelt. In feite betekent het openlijk uitgesproken Amerikaanse streven om Abbas en Siniora te 'stutten' en 'aan te prijzen' een erkenning van de wijdverbreide ontevredenheid over de regimes waaraan door de heren leiding wordt gegeven. Bovendien verdoezelt Washington hier het feit, dat de krachten die men in Palestina en Libanon steunt nooit in staat zouden zijn geweest om een dominante positie in de staat in te nemen, zonder in een eerder stadium met HAMAS en Hizbullah bondgenootschappen te hebben gehad.

Van haar kant heeft HAMAS, op basis van het akkoord van Mekka van februari 2007, met FATAH een regering van nationale eenheid gevormd. Toegegeven, dit was ingegeven door de noodzaak om de sancties op te heffen, die onder leiding van de Verenig­de Staten aan het Palestijnse volk waren opgelegd, en voorts om een eind te maken aan de militaire campagne van FATAH om HAMAS, na haar verkie­zings­overwin­ning in januari 2006, uit het zadel te wippen. De Palestijnse president (en FATAH-leider) Abbas maakte van de gelegenheid gebruik om macht - bevoegdheden op het gebied van veiligheid en financiën en essentiële beleidsbeslissingen - te concentreren in handen van de president (hijzelf dus) en de met het presidentschap verbonden staatsorganen. In feite heeft dit HAMAS ontmand en haar rechtmatige aanspraak op de leiding van de regering tot een zuiver cosmetische gereduceerd.

Op soortgelijke wijze sloot Hizbullah bij de parlementsverkiezingen van 2005 een verkiezingsverbond (de zogeheten 'kwartet-overeenkomst') met het 14 Maart Blok van premier Siniora, in ruil voor de toezegging dat het verzet van Hizbullah gesteund en gelegitimeerd zou worden. Dit is later inderdaad in een beleidsverklaring van het kabinet vastgelegd. Dankzij dit verbond behaalden de groeperingen van het 14 Maart Blok 12 (van de 128) zetels extra in het parlement, en daarmee de meerderheid waarover zij nog steeds beschikken. En terwijl het politieke blok waartoe Siniora behoort een meerderheid in het parlement heeft, weet het oppositieblok waartoe Hizbullah behoort zich door een meerderheid van de bevolking gesteund, die zich vrijwel zeker in een parlementaire meerderheid zou vertalen in geval er vervroegde verkiezingen zouden worden gehouden.

Maar voor deze politieke verkiezingscompromissen hebben HAMAS en Hizbullah een hoge prijs betaald. Want Abbas en Siniora hebben beiden de door hun groeperingen verworven politieke macht benut om de basis van overeenstemming onderuit te halen. De Overeenkomst van Mekka was bedoeld om nationale eenheid, dialoog en verbondenheid tot stand te bren­gen, maar de leiding van FATAH heeft deze - met Amerikaanse en Israelische steun - gebruikt voor de voortzetting van haar offensief om HAMAS uit de regering te werken, de HAMAS-leiding te elimineren en de aanhangers van HAMAS te intimideren. Het gevolg was dat HAMAS in een defensieve overlevingsoorlog gedrongen werd, die is uitgelopen op haar machtsovername in de Strook van Gaza.

Evenzo zijn Hizbullahs vroegere electorale bondgenoten teruggekomen van hun steun aan het verzet van deze beweging, zelfs nog voordat zij haar de schuld gaven voor de verwoestingen die in de oorlog van zomer 2006 door Israel zijn aangericht (een opstelling die zij nog volhielden, nadat geloofwaardige berichten bekend werden omtrent een vooraf beraamde, door de Verenigde Staten goedgekeur­de Israelische aanval op Libanon, bevestigd door het getuigenis van Israels premier Ehoed Olmert tegenover de Winograd Commissie). HAMAS en Hizbullah hebben elementen in zowel FATAH als het 14 Maart Blok beschuldigd van collaboratie met Israel en de Verenigde Staten - hetgeen ondersteund is door enkele commerciële media in het Westen, in de Arabische Wereld en zelfs in Israel. De beide bewegin­gen stellen dat zij documenten bezitten, die een en ander bewijzen.

Wat de regering-Siniora betreft, is bovengenoemde beschuldiging niet echt hard gemaakt, hoewel het verzoek dat deze deed om een speciale zitting te beleggen om over de ontwapening van Hizbullah te spreken op de dag kwam (11 augustus 2006), dat VN-Veiligheidsraadresolutie 1701 [staakt-het-vuren tussen Israel en Hizbullah; red.] aangenomen werd en niet bepaald bijdroeg tot het wegnemen van de vrees van Libanese shi'ieten voor een samenzwering tegen het verzet, die in die dagen door de Verenigde Staten, Israel, 'gematigde' Arabische staten en het 14 Maart Blok werd uitgebroed. In het verlengde daarvan streefde Hizbullah ernaar haar gewapende status te behouden en te voorko­men dat Libanon volledig in de Amerikaans-Israelische invloedssfeer terecht zou komen. De organisatie zette dit kracht bij, door een protestcampagne tegen de regering-Siniora te lanceren. Deze concentreerde zich op de eis om te komen tot een regering van natio­nale eenheid, waarin de oppositie eenderde-plus-één van de zetels in handen zou hebben - en daarmee een vetorecht over belangrijke strategi­sche kwesties.

een strategie van tweespalt

Geconfronteerd met hardnekkig verzet tegen hun agenda's voor Palestina en Libanon, hebben de Verenigde Staten al het mogelijke gedaan om de mede door hen geschapen crises onoplosbaar te houden - en wel door de vorming van regeringen van nationale eenheid tegen te houden en/of om zeep te helpen, en de richtingen­strijd en het sektarisme aan te wakkeren.

Het vooraanstaande Israelische dagblad Ha'aretz berichtte in december 2006, dat de naaste bondgenoot van Abbas, Nabil Sha'ath, toegaf dat de Palestijnse presi­dent de besprekingen met HAMAS had opgeschort, totdat hij erin zou slagen 'de Verenigde Staten te overreden hun standpunt over de eenheidsregering te wijzigen'. De obstructie van de Verenigde Staten in Palestina is bevestigd door de voormalige hoge VN-vertegenwoordiger voor het Midden-Oosten, Alvaro de Soto, die (na zijn aftreden in mei 2007) verklaarde, dat de Verenigde Staten FATAH onder druk hadden gezet om toetreding tot een regering van nationale eenheid met HAMAS te weigeren, ondanks aandrang daartoe van HAMAS.

Toen de regering van nationale eenheid onder auspiciën van Saoedi-Arabië uiteindelijk toch tot stand kwam in de weken na topoverleg in Mekka, gingen de Verenigde Staten onmiddellijk aan de slag om deze om zeep te helpen. Het succes van dit streven, en de pertinente weigering nadien van Abbas om met HAMAS een dialoog aan te gaan om zo'n regering opnieuw tot stand te brengen, maken het hoogst onwaarschijn­lijk dat de Verenigde Staten hun tweedracht-zaaiende politiek in Palestina zullen terugdraaien.

Ook in Libanon hebben de Verenigde Staten alle akkoorden tussen de regering-Siniora en de oppositie de grond in geboord. Bewijs daarvoor is, dat telkens wanneer een akkoord de twee kampen dicht bij elkaar heeft gebracht en een doorbraak mogelijk leek, de regering op het laatste moment steeds weer terugkrabbel­de. De manier waarop de regering-Bush het belang wegwoof van twee massale demonstraties van oppositie-aanhangers, die eind 2006 een regering van nationale eenheid eisten, en de 'trots' die de Amerikaanse president uitsprak over de 'vasthoudendheid' waarmee Siniora dergelijke eisen negeerde, leveren verder bewijs van de grote bezwaren die Washington tegen de vorming van een regering van nationale eenheid heeft.

De Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken, Nicholas Burns, gaf dit toe, toen hij in december 2006 stelde, dat 'er geen reden is de resultaten van een vrije en democratische verkiezing ongedaan te maken', waarbij hij uitsprak dat de Verenigde Staten 'graag zouden zien dat regering[-Siniora] intact blijft', en dus niet deel zou gaan uitmaken van een nieuwe, meer representatieve eenheidsregering.

Terwijl Frankrijk actief betrokken is geraakt bij het verzoenen van de elkaar bestrijdende partijen, gaan de Verenigde Staten door met pogingen elke mogelijkheid van een compromis te torpederen. Washingtons ambassadeur in Libanon, Jeffrey Feltman, heeft zelfs richtlijnen uitgevaardigd voor de vooraf te stellen voorwaarden voor de vorming van een regering van nationale eenheid - met het min of meer expliciete doel die vorming te compliceren en tegen te gaan. Amerikaanse functionarissen versterken deze opstelling door neutraliteit in de politieke patstelling in feite te criminaliseren: Toen de oppositie dreigde met het scenario van een 'parallelle regering', stelde de Amerikaanse staatssecretaris voor het Midden Oosten, David Welch, neutrali­teit in deze kwestie gelijk met 'steun aan het terrorisme'. Dit kan tevens opgevat worden als een indirecte waarschuwing aan de opperbevelhebber van de Libanese strijdkrachten en het hoofd van Libanons Centrale Bank, die geweigerd hebben partij te kiezen voor het geval dit vooruitzicht werkelijkheid wordt.

De Amerikaanse strategie om nationale verdeeldheid te veroorzaken en in stand te houden is op zich niet verrassend: Ondanks al hun uitspraken over 'milities ontwapenen' hebben de Verenigde Staten er openlijk voor gekozen staatsmilities te financieren, die loyaal zijn aan president Abbas en premier Siniora. Als onderdeel van hun campagne in 2006-2007 om de regering van HAMAS ten val te brengen, trokken de Verenigde Staten (onder auspiciën van luitenant-generaal Keith Dayton, de Amerikaanse veiligheidscoördinator in deze regio) 86,4 miljoen dollar uit voor de Presidentiële Garde (Force 17) van Abbas en voor de preventieve veiligheidsdiensten (PSS) onder leiding van Fatahs sterke man Mohammed Dahlan.

Een Amerikaans regeringsdocument onthulde, dat het doel van de hulp was 'de president van het Palestijns Nationaal Gezag bij te staan (...) de terroristische infra­structuur te ontmantelen en op de Westelijke Jordaanoever en in de Strook van Gaza recht en orde te herstellen' (een eufemisme voor het bestrijden van HAMAS). Na de nederlaag die de PSS in Gaza tegen HAMAS leden, hebben de Verenigde Staten nog eens 80 miljoen dollar aan veiligheidshulp aan FATAH toegezegd.

Een soortgelijke strategie is in Libanon aangenomen, waar Washington 60 miljoen dollar bestemd heeft voor de Binnenlandse Veiligheidsmacht (ISF), een instelling die kortgeleden een injectie van duizenden soennitische rekruten gekre­gen heeft en die rechtstreeks valt onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken, dat in handen is van Sa'ad Hariri [de zoon van wijlen Rafiq Hariri; red.], hetgeen deze de bijnaam 'Hariri-militie' bezorgd heeft. Gevoegd bij het feit dat de regering-Bush een geheim CIA-plan heeft goedgekeurd om anti-Hizbullah-activiteiten te financieren (aldus het Londense dagblad The Daily Telegraph), maakt dit duidelijk dat het uiteindelijke doel van deze hulp is om de soennieten in Libanon te militariseren en een soennitisch tegenwicht tegen Hizbullah te scheppen.

Nog een staatsinstelling die de regering-Bush tegen Hizbullah hoopt te gebruiken, zijn de Libanese strijdkrachten. Na Israels nederlaag in de oorlog van 2006 heeft de regering-Bush geprobeerd de strijdkrachten te 'versterken' door de financie­ring ervan op te voeren van gemiddeld 2 tot 3 miljoen dollar per jaar, tot 220 miljoen dollar, voor training, lichte bewapening, munitie en Humvees [legervoertuigen]. Het openlijk beleden doel van deze financiering is niet het leger in staat te stellen om Libanon tegen Israelische grensschendingen en aanvallen te verdedigen, maar om dit om te vormen tot een macht, die in staat is 'de staatssoevereiniteit te laten gelden' op het gehele grondgebied, door [VN-Veiligheidsraad-] 'resolutie 1701 af te dwingen'. Anders gezegd: tot een macht die de confrontatie met het verzet aankan.

de dubbele logica van Washington

De Verenigde Staten zijn bereid de veiligheidsorganen en militaire organen alsmede alle andere politiek autonome staatsinstellingen - de voorwaarde voor democratie - te maken tot instrumenten in handen van bepaalde stromin­gen. Evenzo kunnen hun bondgenoten het staatsrecht schenden zonder hun demo­cratische geloofsbrieven te verspelen.

Zo is de tactiek van de 'paleisrevolutie' een verplicht nummer geworden bij 'gematigde' Arabische elites - een tendens die van harte wordt aangemoedigd door de regering-Bush, die zulke overtredingen legitimiteit verleent, terwijl zij gekozen bewegingen onwettig verklaart en hun protestacties criminaliseert als 'staatsgrepen' tegen de 'legitimiteit'.

President Abbas heeft - nog afgezien van de wijze waarop hij zich bevoegd­heden toegeëigend heeft, die staatsrechtelijk gedelegeerd waren aan de regering van Isma'il Haniya [HAMAS] - sindsdien talrijke malen inbreuk gemaakt op het staatsrecht. Volgens de ontwerpers van de Palestijnse Basiswet [het equivalent van een grondwet; red.] was de vorming door Abbas van een, door Salam Fayad geleide noodregering, zonder daarbij de vereiste parlementaire goedkeuring binnen 30 dagen te zoeken, een duidelijke schending van het staatsrecht. Bovendien hebben de opstellers van de Basiswet gesteld, dat zonder die parlementaire goedkeuring de regering-Haniya staatsrechtelijk de waarnemende regering blijft, totdat het parlement de vorming van een nieuwe regering goedkeurt.

De poging van Abbas om de wet te omzeilen door de noodregering, die na 30 dagen haar mandaat had verloren, als waarnemende regering te behandelen, is in strijd met de wet, aangezien de regering van Haniya deze rol zou moeten vervullen. Toen FATAH de door de parlementsvoorzitter van HAMAS bijeengeroepen zitting boycotte, nam Abbas zijn toevlucht tot het voorwendsel van 'verlam­ming van het parlement', om aldus het parlement geheel te kunnen passeren en bij decreet vervroegde verkiezingen voor parlement en president uit te schrijven. Dit terwijl de architecten van het staatsbestel stellen, dat 'regeren bij decreet niet betekent dat [de president] de wet kan opschorten of wijzigen'.

De regering-Siniora is niet minder vermetel geweest in haar onverschilligheid tegenover het staatsrecht. Libanese staatsrechtdeskundigen hebben gewezen op de preambule van de Libanese Grondwet - die bepaalt: 'Er is geen grondwettelijke legitimiteit voor enig gezagsorgaan, dat in strijd is met het Pact van Coëxisten­tie tussen de gemeenschappen' - en uitgesproken dat het aftreden van alle shi'itische ministers in november 2006 het kabinet-Siniora illegaal maakte, aangezien vanaf dat moment een sekte in zijn geheel niet meer in de regering vertegenwoor­digd was. In een halfslachtige poging om zichzelf via een juridisch achter­deurtje een vernis van grondwettelijkheid te geven, stelde het kabinet-Siniora dat het nog altijd een wettig orgaan was, aangezien het kabinet het ontslag van de shi'itische ministers niet had geaccepteerd. Toen een zesde (christelijke) minister aftrad, vertegenwoordigde het kabinet nog slechts het 14 Maart Blok. Dit vergemakkelijkte het besluitvormingsproces, waardoor het kabinet over talrijke strategische kwesties besluiten kon nemen. Een voorbeeld was het besluit over het internationaal tribunaal [in Den Haag] dat de moord op Rafiq Hariri moet gaan onderzoeken, waarbij overigens wel de grondwettelijke prerogatieven van de met de oppositie gelieerde president werden omzeild.

Door voorts te stellen, dat verlamming van het parlement handelen van hun kant noodzakelijk maakt, hebben de regeringspartijen herhaaldelijk gedreigd de voorzitter van het parlement [die tot het kamp van de oppositie behoort; red.] te passeren en op eigen houtje het parlement bijeen te roepen om het internationaal tribunaal te ratificeren en door het parlement een nieuwe president te laten kiezen, zelfs zonder het vereiste quorum van twee­derde.

Waar er in beide landen geen grondwettelijke raad bestaat, is de internationa­le gemeenschap onder leiding van de Verenigde Staten de scheidsrechter van het Palestijnse en Libanese staatsrecht geworden. Ondanks alle schendin­gen van de Basiswet door president Abbas hebben de Verenigde Staten de door hem benoemde kabinetten erkend als 'wettig'. Dezelfde terminologie heeft Washington gereserveerd voor de regering van Siniora, die zij routineus aanduidt als 'democratisch gekozen' - alsof dat enkele feit het schenden van de grondwet kan verzachten of rechtvaardigen.

Maar Washington hanteert bij lange na niet dezelfde logica voor de door Haniya geleide [HAMAS-]regering, die ook democratisch gekozen is - hetgeen de Verenigde Staten gemakshalve wenst te vergeten - en die zich genoodzaakt voelde, zich tegen vernietiging door de militie van Dahlan te verdedigen. Voor Washington vormt (zoals de Palestijnse wetenschapper Joseph Massad heeft opgemerkt) de zelfverdediging van HAMAS tegen de door FATAH gedane poging tot een staatsgreep, een 'staatsgreep tegen de democratie'. In een unieke interpretatie van de democratische vrijheden wordt de door Hizbullah geleide protestcampagne, die bestaat uit massale demonstraties, een landelijke staking en een permanente bezetting van gebouwen, eveneens gedoodverfd als een 'buitenwettelijke' machtsgreep.

het 'Arabische democratische regime'

In een verdere poging om HAMAS en Hizbullah en hun daden onwettig te verklaren, hebben de Verenigde Staten getracht hen los te maken van hun nationalistische identiteit en agenda, door hen te reduceren tot handlangers van Iran en Syrië, die erop uit zijn hun landen uit naam van hun buitenlandse 'sponsoren' te destabiliseren. In het geval van Hizbullah heeft Washington de campagne nog een stap opgevoerd, in de vorm van pogingen om de partij af te schilderen als een organisatie met Amerikaans bloed aan de handen. Bij gebrek aan dwingend bewijs is Hizbullah ervan beschuldigd 'de komende drie jaar een hardnekkige en zich ontwikkelende dreiging voor de Verenigde Staten te vormen'. De organisatie wordt daarbij in één ademtocht met al-Qa'ida genoemd en zou in Irak shi'itische milities trainen om daar tegen Amerikaan­se troepen te vechten.

De reden waarom de Verenigde Staten de protestdaden van deze democratisch gekozen bewegingen criminaliseren en hen demoni­seren, als zijnde een bedreiging voor de veiligheid van zowel de Verenigde Staten als hun eigen naties, is de weigering om de verkiezingsresultaten te erkennen, die deze bewegingen tot regeringspartijen heeft gemaakt. Het negeren van de wil van het volk is een praktijk die George Bush jr. niet onder stoelen of banken steekt, wanneer hij stelt dat 'wat juist is, is niet noodzakelijk meteen populair'. Met zulke democratische leidsmannen is het geen wonder, dat Siniora pochte dat hij 'geen spier vertrokken had' bij de grootste demonstratie in de geschiedenis van Libanon van de oppositie.

Bij gebrek aan legitimiteit krachtens staatsrecht en volkswil hebben de regeringen van Abbas en Siniora zich tot de door de Verenigde Staten geleide internationale gemeenschap gewend als surrogaat voor een nationale legitimering. Zowel HAMAS als Hizbullah hebben ervoor gewaarschuwd, dat 'legitimiteit niet van buiten kan komen'. Regeringen als deze lijken de jongste versie van door Washington gekweekte democratie te zijn: het democratische regime. Dit is democratisch voor zover het politieke stelsel waarvan het deel uitmaakt, een democratie is, maar het is een regime, aange­zien het een nieuwe regeringsvorm vertegenwoordigt, die door het volk wordt aangevochten, de grondwettelijkheid ervan breed wordt betwist en het zijn legitimiteit aan machten van buiten ontleent. Kortom, de Verenigde Staten komen zo dicht als het maar kan bij een autoritair regime, zonder die realiteit toe te geven.

Het Arabische democratische regime heeft, als Amerikaans protégé, zich de fundamentele leerstukken van de Bush-doctrine eigen gemaakt en haar belang­rijkste leuzen aan zijn woordenschat toegevoegd. Een klemmende illustratie van de politieke aanpassing die deze regimes hebben ondergaan, is hun omhelzing van 'de oorlog tegen de terreur' van Bush en de bijbehorende betogen. Het Amerikaanse Iran-complex imiterend, hebben de regimes van zowel Abbas als Siniora veel van hun interne problemen aan Iran toegeschre­ven, waarbij zij de schuld voor de machtsovername van HAMAS in Gaza en voor de protestcampagne van Hizbullah niet bij zichzelf en hun Amerikaanse sponsor leggen, maar bij Iran.

Abbas heeft zich nog verder laten inspireren door het post-11-september-jargon van Bush jr. en heeft HAMAS belasterd als 'moorddadige terroristen' en 'de krachten der duisternis' die banden met al-Qa'ida zouden hebben. Evenzo heeft het 14 Maart Blok zijn tegen Hizbullahs beweerde 'doodscultuur' gerichte campagne 'ik heb het leven lief' geleend van het vocabulaire van de Amerikaanse president. Korter geleden heeft de regering-Siniora Libanons eigen 'oorlog tegen de terreur' gevoerd in het Noord-Libanese kamp Nahr al-Bared, waar het leger vocht tegen de salafi jihadi's van Fatah al-Islam. Siniora heeft zo ongeveer plagiaat gepleegd uit de vele anti-terreur-scenario's van Bush jr., toen hij dit conflict omschreef als een campagne om 'het terrorisme te treffen en uit te roeien'.

Nog een motief dat aan de Amerikaanse betogen is ontleend, is een ongekend verhaal over 'de staat' die - in de ogen van de regering-Bush - wordt belichaamd door de groeperingen van Abbas en Siniora. Beide groeperingen hebben geen respect getoond voor hun respectievelijke grondwetten, maar zij blijven proberen HAMAS en Hizbullah voor te stellen als 'putschisten' en 'machtsgrijpers', die in opstand zijn gekomen tegen de 'wettigheid' van 'de staat'. En deze machten die veelvuldig beschuldigd zijn van financiële en politieke corruptie, collaboratie met bezettende machten en de vorming van niet-legale milities, zijn dezelfde die de heiligheid prediken van het 'staats­project' in Palestina en de [soevereine] 'staatsinstellingen', zoals het in Libanon heet. Aangezien deze machten in werkelijkheid niet de staat belichamen, maar slechts de staatsapparaten beheersen, is de staat die zij zo dolgraag willen beschermen niet de staat in de abstracte zin van het woord, maar enkel hun staat.

In dit verband is het uiteindelijke doel van het 'versterken' van de staat het wegvagen van verzetsgroeperingen, zoals dat spreekt uit de geliefkoosde mantra`s van Amerikaanse functionarissen: 'er kan slechts één gezag zijn in een democratie', 'het monopolie op wapens dat de staat heeft', 'alle milities ontwapenen' en 'de staatssoevereiniteit laten gelden op het gehele grondge­bied'. Met een kleine variatie op hetzelfde thema van 'het monopolie van de staat' heeft Abbas plichtsgetrouw beloofd 'de eenheid der Palestijnse wape­nen' te bewaren, terwijl Siniora tracht te bereiken dat 'er geen wapens en geen gezag bestaan buiten die van de Libanese staat'. Nog duidelijkere voorbeelden van het napapegaaien van leuzen van de regering-Bush zijn dat Abbas aangekondigd heeft 'alle milities in alle delen van het Palestijnse grondgebied onwettig te verklaren', terwijl Siniora zich vastgelegd heeft op 'het laten gelden van het gezag van de Libanese regering over haar grondge­bied door middel van haar wettige strijdkrachten'.

staten binnen niet-staten

Als het erop aankomt, is de door de Verenigde Staten gesouffleerde missie van 'staatsopbouw' niets anders dan een krijgslist, die wordt ingegeven door de behoefte om de 'staten binnen de staten' van HAMAS en Hizbullah te bestrijden en te vervangen door plooibare, de Verenigde Staten welgezinde staten. De regering-Bush en haar bondgenoten ter plekke hebben de mini-staten van HAMAS en Hizbullah bestempeld als obstakels voor het Palestijnse en het Libanese staatsverband - een benadering die uitgaat van de vooronder­stelling dat er een grotere staat is waarmee geconcurreerd kan worden.

De evidente werkelijkheid is dat er noch in het geval van de Palestijnse gebieden, noch in het geval van Libanon een staat bestaat die deze naam waard is. Wat in de traditie van het westerse liberale politieke denken als de basisfunctie van de staat geldt - voorzien in de elementaire behoeften van de bevolking en hun lijf en goed beschermen - ontbreekt namelijk gedurig. De sociale dienstverlening en de verdediging van het nationale grondgebied zijn functies die andere actoren zoals HAMAS en Hizbullah op zich genomen hebben, en het feit dat zij dit doen in plaats van de afwezige centrale staat, heeft hen gemaakt tot staten in niet-staten, dus juist niet staten in de staat. 'Hamasstan' en 'Hizbullahstan' zijn dus niet de oorzaak, maar het gevolg van zwakke of niet bestaande staten.

Aangezien er tussen dergelijke niet-staten en mislukte staten slechts een dunne scheidslijn loopt, is de vrijwel identieke strategie van de Verenigde Staten in Palestina en Libanon gedoemd te mislukken. Zij dreigt deze staten tot mislukte staten te maken en de enige supermacht ter wereld om te vormen tot een hopeloos mislukte macht in het Midden-Oosten.

bron: Open Democracy, 6 augustus 2007

Amal Saad-Ghorayeb is gastmedewerkster aan het Middle East Center van de Carnegie Endowment in Beiroet. Zij is auteur van Hizb'ullah: Politics and Religion; Londen, Pluto Press, 2002; 254 pp.

vertaling: Paul Kuiper