Maandag 25 september
’s Avonds hebben we een ontmoeting met Rania, Amali, Abdul, Roger en Kamal. Ze werken samen in de organisaties Masar en Sams. Het splinternieuwe gebouw van deze organisaties van kunstenaars staat langs een hoofdweg die in de tijd van de burgeroorlog (1975-1990) deel uitmaakte van de rode zone door Beiroet. Dat was de scheidslijn tussen de buurten met verschillende religies ofwel tussen de strijdende milities van de verscheidene facties, opgedeeld in religies. De erfenis van de burgeroorlog is nog altijd zichtbaar in de vele kapotgeschoten flats die langs deze zone nog zijn te vinden. Ook in de verhalen van de kunstenaars neemt die burgeroorlog nog altijd een belangrijke plaats in.
Roger, de nestor van het gezelschap neemt het woord na onze kennismaking. “Tijdens de [recente] oorlog zijn we met alles gestopt om deze plek te gebruiken om met behulp van ons netwerk mensen te helpen en ook om te schrijven. Onze relaties met het zuiden zijn niet gebonden aan enige partij. We zijn een gemixte groep. Tijdens de oorlog waren we één met het verzet van Hezbollah, maar niet met hun ideologie. Op dit moment weten we niet precies wat we willen doen. We ontwikkelen contacten en werken aan projecten in het zuiden en met studenten op de universiteiten.”
De kunstenaars komen regelmatig bijeen om te discussiëren over wat het is om burgers te zijn. Dat klinkt voor een Nederlander wat vreemd in de oren, maar voor wie op de hoogte is van de politieke situatie in Libanon weet dat dit voor Libanese begrippen een toekomstdroom is, zo legt Rania ons uit. “In het alledaagse leven van Libanon leven jongeren in een patriarchaal systeem. Er is geen sprake van een leerproces, de manier waarop leraren onderwijzen is die van éénrichtingsverkeer, een overblijfsel uit de Franse kolonisatie. Binnen de verschillende facties hebben jongeren slechts te luisteren naar hun leiders. Om aan die onderdrukking te ontkomen focussen de kunstenaars op overeenkomsten en gebruiken daarbij kunst en (straat)muziek als vehikel om zichzelf te uiten en hun stereotype leven te ontvluchten. Om ze een gevoel van eigenwaarde te geven en hen te leren te participeren”.
“We hebben 40 leden en 45 participanten; een netwerk van links tot rechts, inclusief niet-Libanezen, zoals Palestijnen,” zegt Kamal.
Rania verwoordt de drukkende stemming onder de groep, die voelbaar is. “De omstandigheden waaronder we nu werken zijn moeilijk. Alles wat we hadden opgebouwd is door de oorlog verwoest.” Roger: “We zijn pessimistisch, maar niet wanhopig. We wachten niet op het groene licht. Voor de oorlog hadden we een mooi project in het zuiden van Libanon, we hadden een omvangrijk programma gelanceerd. Nu moeten we weer vanuit het niets beginnen.”
Rania: “De facties mobiliseren zich weer tegen elkaar. In 1975 was de politieke kaart: verdeeldheid onder christenen, moslims, en andere religieuze facties; en er waren seculiere bewegingen in Beiroet. Ook de Palestijnen waren seculier. Verder was er een onderscheid tussen een pro-PLO en een anti-PLO kamp in Libanon. Nu hebben we 18 verschillende Libanese facties en geen onafhankelijkheid, geen wettigheid en geen soevereiniteit. Er is geen één wet, iedere factie heeft zijn eigen wetten. We zijn niet allemaal gelijkwaardige burgers.”
“Voor de burgeroorlog hadden we hoop,” vult Roger aan. “Dertig procent van de bevolking was seculier. Nu is het een bedreigde soort.” Kamal: “Arabische staten vonden de groei van de seculiere beweging maar helemaal niets; dat was dan ook een reden voor de burgeroorlog. Sommige Libanezen zagen het als een bedreiging. Het meest belangrijke issue was de PLO contra Israël. Israël probeerde de PLO te verzwakken. Uiteraard hebben de linkse mensen fouten gemaakt. Na de eerste kogel veranderde alles.
Ed (D4) vraagt zich hardop af of de facties nog wel wat te winnen hebben in het wereldwijd voortschrijdende project van de neo-liberalen. Vroeger hadden alle christenen een bevoorrechte positie in Libanon, nu zijn er ook armen onder de christenen. Roger zegt dat dat voor een deel juist is, maar benadrukt dat niemand erg arm is in Libanon. “Er is geen sprake van misère,” zegt hij. Abdul is het daar niet mee eens. Door zijn gebrekkige kennis van de engelse taal steekt hij van wal en spoedig zitten de kunstenaars in een fel en Arabisch gevoerd debat. Abdul vat zijn bijdrage in het kort samen: “Je kunt geen vergelijking maken. De situatie wordt steeds slechter. Sommige leraren hebben zeer lage lonen.” Roger houd staande: “Arm, maar niet miserabel, zoals de armen in India.” Kamal: “De armoede is groeiende, niet de armoede die de armen van India kennen, maar in relatieve zin. Voor de burgeroorlog behoorde 65% van de Libanezen tot de middenklasse inkomens. Nu is dat 20%. Dat heeft te maken met de Amerikaanse belangen en die van Zhazha (leider extreemrechtse christenen) en Jumblatt (feodale leider van de Druzen), die door de VS worden gesteund.” “Het leven was makkelijker,” zo besluit Roger dit onderdeel. Kamal merkt later met een cynische ondertoon op: “Tijdens de burgeroorlog had Libanon een sterke economie. Je zou er bijna naar gaan terug verlangen en je gaan afvragen of het niet eens tijd wordt voor een nieuwe burgeroorlog.”
In Libanon zelf wonen 4 miljoen Libanezen, in het buitenland wonen er 10 miljoen. Net als Nederlanders zijn Libanezen echte handelaren, dat echter ook tot buitenproportionele uitbuiting kan leiden. “De nieuwe villa’s in het zuiden hebben te maken met problemen in Afrika,” verklaart Kamal. “Libanezen in Afrika buiten Afrikanen uit. Ze zijn makkelijk uit te buiten, omdat ze niet worden beschermd door hun overheden.”
De christenen in Libanon, die voornamelijk in het noorden wonen, behoren tot de bevoorrechte Libanezen en zijn goed opgeleid. De Shi’ieten, die voornamelijk in het zuiden wonen, zijn veel minder goed opgeleid. Het gevolg daarvan is dat ze moeilijker zijn te bereiken, verklaart Roger. “Ze luisteren naar hun leiders en zo blijven de Ghetto’s solide.”
Na de oorlog werden de buurtcentra in het zuiden de centra waar vanuit de wederopbouw werd gecoördineerd. Er is een groot gebrek aan elementaire voorzieningen. Vanuit de Libanese bevolking werd de hulp aan de getroffen bevolking tijdens de oorlog al in gang gezet via de samenwerkingsverbanden van drie grassroots-organisaties: Samidoun, Movement Social en de Civil Campaign for Relief. Vooral jongeren spelen in deze hulpverlening van onderop een grote rol. Eén van de projecten die de kunstenaars coördineren is om alles te documenteren wat jongeren tijdens de oorlog hebben gedaan teneinde meer aandacht te krijgen voor de positie van jongeren, omdat er geen nationaal samenhangend plan is voor jongerengroepen.
De kunstenaars zoeken aansluiting bij de wederopbouw van het zuiden van Libanon.Er is een pilot project voor twee, mogelijk vier, kleine dorpen. De boeren, vooral tabaksboeren, hebben daar alles verloren. Rania: “We gaan na wat er nodig is wat betreft gezondheid, voeding en distributie van medicijnen. Ook de scholen hebben gebrek aan allerlei elementaire voorzieningen. Ongeveer 50% van de Libanese kinderen onder de vijf jaar gaat niet naar school. Er zijn sociale activiteiten nodig voor kinderen en jongeren. Drama, muziekconcerten en clowns. De dorpscholen moeten ook culturele centra worden.”