De ochtend begint met een gesprek met een voorname Hezbollah man uit het dorp waar we verblijven, die liever niet met zijn naam wordt vermeld. Hij vertelt over de opkomst van Hezbollah in de jaren tachtig en hoe deze volksbeweging een stabiliserende invloed had op de situatie in het land. Het transformeerde de interne conflicten tussen de verschillende facties naar een conflict met de zionisten. Volgens hem werd het Shia verzet verwelkomd door de andere facties en was er veel solidariteit. Ook in de recente oorlog werden gevluchte families uit het zuiden warm verwelkomd door hun landgenoten in het noorden. Israël dacht verdeeldheid te zaaien maar de eenheid tussen de verschillende facties nam juist enorm toe. Hezbollah had de twee Israëlische soldaten gegijzeld om de politieke gevangenen die al 22 jaar in Israëlische cellen zitten vrij te krijgen. De meeste van hen werden al op jonge leeftijd, rond de 17 jaar, gevangengenomen. De gijzeling van de twee Israëlische soldaten kan dus nooit aanleiding zijn voor een oorlog.
Wederom rijden we naar de grens met Israël, ditmaal bij daglicht. Vreemde gewaarwording om op slechts tien meter afstand van de grens te rijden en aan de andere kant van het hek met sensoren en prikkeldraad landbouwers aan het werk te zien. Ook zien we mensen die werkzaamheden verrichten aan het hek, mogelijk degenen waar later van wordt gemeld dat ze het hek twintig meter verder Libanon hebben ingezet. Onze chauffeur wijst op een heuvel net aan de andere kant van het hek. De heuvel is van zijn familie. Het is opvallend dat Libanezen het hier steeds hebben over nederzettingen wanneer het gaat om nieuwe dorpen die vanaf de plek waar we staan te zien zijn in Israël. Achter ons ligt een metershoge berg puin van wat twee maanden geleden nog een appartementencomplex van 4 verdiepingen was. Twee werklui wijzen op een dorpje zo’n anderhalve kilometer achter het hek: Libanees, zeggen ze.
Voor het eerst wordt bij een militaire wegblokkade om onze paspoorten gevraagd. Het landschap waar we langsrijden is zeer glooiend, dor en kaal. We houden even een korte pauze bij de Litani, de rivier tot waar Israël tijdens de oorlog zou optrekken. Het blijkt niet meer dan een smal stroompje te zijn.
De heuvels worden bergen. Halverwege een berg met uitzicht op de ruïne van het fort Beaufort op de top van een grote berg treffen we een billboard langs de weg met daarop de goeden koepel moskee uit Jeruzalem en de beeltenis van een strijder. Het is door Hezbollah geplaatst als eerbetoon aan Zamir Azid, een strijder, die hier in 1999 een rij van tien bommen langs de weg plaatste om ze te laten ontploffen op een moment dat er een konvooi van acht Israëlische militaire voertuigen langs kwam rijden die Libanon inreden. De strijder zat vlak onder de berm met geweer en handgranaten en begon al schietend langs het konvooi te rennen in de veronderstelling dat hij het er niet levend van af zou brengen. Aan de andere kant van de weg zat hij een tijd stil en dacht dat de Israëlische soldaten achter hem aan zouden komen. Dat gebeurde niet; hij rende weg en kon ontkomen. Later kwam hij bij een andere actie om het leven.
Gevangenis van Chiam
Vanaf de bergtop bij het dorp Chiam reikt het uitzicht ver. De Shebafarms, die zijn bezet door Israël zijn goed te zien, en ook het drielandenpunt van Libanon, Syrië en Israël.
Chian gevangenismuseum
Op de bergtop stond ook ooit de gevangenis van Chiam waar het Israëlische leger gevangen genomen burgers opsloot en martelde tijdens de periode van de Israëlische bezetting van het zuiden van Libanon. In de periode daarna werd het ingericht als een museum en een plek om de doden en slachtoffers van de martelingen te herdenken. Vroegere slachtoffers leidden de bezoekers rond over het terrein en langs de zeer smalle cellen waar gevangenen werden opgehangen aan de muur en eens in de drie dagen wat te eten kregen. Tijdens de recente oorlog is het monument volledig aan puin geschoten. Behalve het met kogels doorzeefde huis bij de ingang waar de gevangenisbewaarders verbleven staat er van de rest van het complex vrijwel niets meer overeind. Op het terrein staan twee gloednieuwe voorraadtenten van Unicef, bestemd voor het dorp Chiam dat aan de voet van de berg ligt. De materiele schade is goed zichtbaar. Een aantal huizen is met de grond gelijkgemaakt en de schade aan de meeste huizen in het dorp is aanzienlijk.
De koster in Marjaayoun
Onderweg naar Marjaayoun, een dorp dat in het nieuws is gekomen omdat Hezbollah vanuit het overwegend christelijke dorp katoesja’s zou hebben afgeschoten tot woede van de inwoners. We gaan op zoek naar iemand die wat kan vertellen over wat er gebeurd is. Het dorp telt 5 kerken van vier verschillende stromingen: Maronitisch, Room Katholieke, Romaans Orthodox en protestant. We stoppen bij de Romaans-Orthodoxe kerk, die 65 leden telt, waar we de koster treffen. Hij is bereid ons te woord te staan.
Kort na het begin van de oorlog trekken Israëlische troepen de grens over richting het dorp van zo’n 8000 inwoners. Onderweg komen ze eerst langs een aantal gebouwen net buiten het dorp, bestaande uit zes allen in gebruik bij Hezbollah: lokale bestuurders, opslagplaats van katoesja’s en vrachtwagens. De gebouwen worden door het Israëlische leger volledig vernietigt. Een gebouw wordt later vanuit de lucht met de grond gelijk gemaakt.
Veel inwoners van Marjaayoun zijn al eerder, in de eerste dagen van de oorlog, gevlucht. In de kerk hebben zich zo’n 60 gezinnen met jonge kinderen verzameld: katholieken, christenen, sjiieten, soennieten en druzen.
Later die avond komt een vertegenwoordiging van Hezbollah bij de kerk. De koster maakt met hem de afspraak dat er in ieder geval niet vanuit de omgeving van de kerk op de tanks van het Israëlisch leger geschoten zal worden. Hezbollah houdt zich aan deze afspraak. Dat gebeurt die avond niet door een aan Syrië gelieerde sekte. Het Israëlische antwoord is een beschieting vanuit de tanks, waarbij ook de kerk beschadigd wordt. De gezinnen zaten zeven uur lang vast in de kerk.
Het Israëlische leger trekt vervolgens verder naar een nabijgelegen Libanese legerbasis en wil hier naar binnen. Volgens de koster laat de garnizoenscommandant het Israëlische leger binnen hij had daarvoor van Siniora toestemming gekregen. Het leger plundert de wapenvoorraad en geeft de lokale politie en Libanese soldaten de opdracht het dorp te verlaten. De resterende bevolking ziet de kans om met hen onder enige bescherming het dorp te verlaten. De Israëlische militairen zeggen de bevolking, soldaten en agenten toe dat ze ongehinderd kunnen vertrekken. De zoon van de koster bestuurt een van de auto’s met op de achterbank zijn twee zusjes. De koster blijft achter met de 60 mensen in de kerk. Daarnaast blijven er enkele mensen in het dorp achter die het dorp niet kunnen verlaten.
De colonne auto’s vertrekt in noordelijke richting en wordt even later toch vanuit de lucht beschoten door de Israeli’s. Er vallen drie doden, waaronder twee inwoner van Marjaayoun. De overlevenden worden later door het Libanese leger verder geholpen, maar de zoon van koster is bang voor de soldaten en verstopt zich lange tijd in het veld naast de weg (hij vertrouwt het Libanese leger niet). Later besluit hij te reageren als zijn naam wordt geroepen door militairen en wordt door hen in veiligheid gebracht.